Diep in De Plas

belgaimage-121560799-full

Die eerste augustusdag was het joelen en krioelen, spartelen en pletsen aan het strandje  van de Plas – de gebruikelijke gezelligheid tijdens die hete zomer van 2018 -.Windstil was het, al weken lang. Toen gebeurde het dat het water begon op te rimpelen, eerst ergens in het midden rond 3 uur in de namiddag – een halfuurtje maar, eerst -. De surfers verheugden zich op de onverwachte golfslag maar merkwaardig genoeg trok hun zeil niet aan. Het bleef windstil.

Waar de zwemmers in de onbewaakte zone toch het water indoken, waagden ze zich aan één duik en daarna zag ik verbazing, dan aarzeling. Het klotste nu al heftiger tegen de oever. Met enige moeite klommen zij de graskant op.

Ook zwemmers en plonsers aan het strandje keken mekaar angstig aan; snel trokken ze zich terug, schudden met hoofd en schouders en vertwijfeld rolden zij met hun ogen.

Ook Lau, haar opa – Opa Bos – en ik stapten nat maar bezorgd uit de deinende zwemzone.

‘Destijds, toen de Plas nog moest uitgegraven worden had men een  baggerboot ter plaatse gemonteerd. Zo’n baggeraar had schepschoepen zo groot als de hele ijzerhandel Peeters in Leuven.’ vertelt Opa aan zijn kleindochter. ‘Schepschoepen?’ vraagt Lau. ‘Ja, schepshoepen, dat zijn baggeremmers die de baggerboot door het zand en slib op de bodem trekt en naar boven haalt. En daarna doet de baggerpomp zijn werkt. Hij spuwt dezelfde modder vervolgens door een grote buis aan land. De baggerboot is dus een machine met een moddergrijper aan de ene kant en een modderspuwer aan de andere kant. Kijk, hier zijn twee fotoos.’

8985790766_aab027fda4_c
 
201707171618395087252
                       moddergrijper

             modderspuwer

Ah, pubers op het zandstrandje hadden geen flauw vermoeden van enige dreiging. Zij hadden zoals altijd meer oog voor elkaar en voor zichzelf – ze wisten niet beter -. Maar ouders gingen ongerust hun beklag doen bij de zwemtoezichters.  ‘Er komt misschien wind opzetten’, brachten de toezichters stamelend uit als verklaring voor de hevige golfslag. Niemand geloofde hen. ‘Was er maar wind; waren er maar donderwolken op komst’, zuchtte men. Geen reden tot paniek, toch? Tsunami aan de Plas, kom, kom.   

‘Maar laat me jullie vertellen wat weinigen in het dorp durven te vertellen.’ Opa Bos gebaart Lau en mij dichterbij te komen. Die moddergrijper en die modderspuwer, die zijn nooit beste vrienden geweest. Ze haatten mekaar. Wat de ene greep; spuwde de andere uit, met de rug naar elkaar. Stikjaloers. Ze konden mekaar levend opvreten. Ruig ging het er aan toe tussen beide.’

‘Het water rond de baggerboot woelde, klotste en stonk naar overblijfselen uit ver donker verleden. Zware botten, tanden, huidrestanten van dinosaurussen werden naar boven gehaald. Hier op de vlakte van de Plas moeten jagende Tyrannosaurus rexen en een kudde zware Sauropode dinos destijds slag geleverd hebben. ‘

Ongewild had de baggeraar deze onheuglijke geschiedenis terug boven water gehaald.

Sauropode
Tyrannosaurus rex

Dag na dag nam de onrust in het dorp en in de streek toe. Kranten en lokale media berichtten over de verontrustende leegloop rond de Plas. Er werd gespeculeerd, geroddeld, beschuldigd, ruzie gemaakt. De tweede week van augustus, besliste de burgemeester om De Plas te sluiten en een commissie samen te stellen om de zaak ten gronde uit te spitten. Wetenschappers moesten uitsluitsel geven.

Opa Bos vertelt:

‘Toen dan de Plas was uitgegraven bleef de baggerboot werkloos achter. Wat kon de baggeraar met de moddergrijper én de modderspuwer – die twee eeuwige ruziemakers – nog aanvangen? En wat met de beenderen van dino’s die mekaars vijanden waren en mekaar hier op leven en dood bevochten hadden?’

‘De baggeraar brandde, sleep en schroefde het hele roestige zaakje los en liet ijzer en beenderen zinken naar de donkere diepste bodem van de Plas.’

 ‘Die baggeraar dat … dat was ik’, fluistert Opa Bos met opgetrokken wenkbrauwen, handen open en opgeheven. ‘Ik  ben er zeer zeker van dat hun geruzie en gevecht is blijven doorgaan tot op de dag van vandaag. Onder water; diep in de Plas.’

‘Oh, Opa, gij barbaarse baggeraar!’

_________________________________________________

https://nl.wikipedia.org/wiki/Sauropoda en

https://dinosaurus.jouwweb.nl/dinosaurussoorten

Hotel Papa aan de Machtige Rivier

Graffiti

IMG_20180825_194414 (2)

Kladwerk! Overschilderen, die vuile boel! Hij staat er ondertussen langer dan een jaar, deze graffiti, naast een fiets- en voetgangerstunneltje aan de dreef naar het Montfortcollege.

Hee, komjehiervaker? Niet vaak genoeg”

Een puber met een hartenkreet naar een liefje? Het duurt me te lang!  De scholier zet er zijn handtekening onder: het vliegend varken van Pink Floyd? Komjehiervaker, geen spatie. In alle haast “vaek” fout gespeld en gecorrigeerd. Hij (of zij?) is erg ongeduldig. Hoop op snelle actie en beterschap.

Maar, beste lezer, zal de aangesprokene zich wel aangesproken voelen? Of is  hier een eenzaat aan het werk geweest, een afgewezene? Graffiti van een desperado? Zo de kreet niet snel wordt beantwoord, kan het ergste gebeuren … de trein. 

Geen donkere gedachten, hé!  Dit is graffiti van iemand mét humor; iemand licht in zijn hoofd, beetje Kafka, beetje Banksy.

Misschien moeten we de verklaring niet ver zoeken: hij of zij wil voorbijgangers begroeten. Dat is vriendelijk. Dank u wel. Niet overschilderen!

Wie had die graffiti durven verven?

IMG_20180825_194414 (2)

Het idee kwam van Flo. Opa Bos had geverfd. De tekst kwam van beiden.

Flo wist dat Fien in september naar haar nieuwe school zou gaan en wou een afspraakje met haar. Hee Fien, kom je hier vaker? durfde Flo niet te verven. Té persoonlijk. De politie zou snel weten wie deze graffiti had geklad.

Zo dat was dat. Nu afwachten maar tot Fien passeert. Maar Fien passeert niet; de trein passeert.

De treinbestuurder ziet twee figuren langs de sporen lopen in Rotselaar. Onmiddellijk belt hij de vliegende spoorlopersbrigade in Aarschot.

Enkele minuten later landt een helikopter op het gemaaide tarweveld. Twee snelle spoorloperspotters met handboeien aan hun riemen komen de sporen over gerend. Zij pakken Flo en Opa Bos bij hun kraag, dulden geen tegenspraak, nemen nog snel een foto van de graffiti en van de plek van het spoorlopen, trekken hen mee, en duwen Flo en Opa Bos de helikopter in.

De helikopter trekt zijn wentelwieken op snelheid, zweeft weg over de Machtige Rivier naar het station van Aarschot, waar ze op het dak landen. ‘Dit gaat jullie een flinke gasboete opleveren, opaatje!’ zegt de ene spoorloperspotter. ‘Ja, én de kost van een helikopterritje!’ grinnikt de andere.

Flo en Opa Bos zitten op stoelen vóór de stationschef. De spoorloperspotters – beducht als ze zijn voor vluchtpogingen en plots geweld – houden hun handen stevig op de schouders van Flo en Opa Bos. De onderstationschef staat op een afstandje mee te luisteren. De bewijsstukken liggen op het tafeltje naast de stationschef: de foto van de graffiti en de foto van de plek van het gebeuren. ‘Spoorlopen is een zwaar vergrijp, zegt de stationschef streng. Bovendien doet uw geklad mij sterk vermoeden dat u spoorlopers aanmoedigt in misdadig gedrag. Niet vaak genoeg …. (euh) spoorlopen!

Zoals het wel meer gebeurt, duikt er ook hier een redder in nood op. De onderstationschef had het machtsvertoon van zijn baas vanop enige afstand gade geslagen. ‘Beste baas, zegt hij, deze mensen zijn dichters, geen spoorlopers. Ik ben zelf dichter na mijn werkuren en ik herken dichters. De beste gedichten laten veel interpretatie toe. Wij stationschefs, treinbestuurders en vliegende brigadiers zien de wereld door één bril, namelijk de bril van het reglement dat spoorlopen verbiedt. Hun graffiti is een uitnodiging aan de mensheid tot ….(euh) verbondenheid,’ zo besluit de onderstationschef zijn pleidooi.

De stationschef knikt en heeft het begrepen. ‘Deze mensen zijn geen spoorlopers, maar dichters. Breng hen terug vanwaar ze gekomen zijn’ roept hij naar zijn spoorlopersbrigadiers, die zich verheugen op een nieuw helikoptervluchtje. Opa Bos vraagt de brigadiers om hem en Flo af te zetten dicht bij huis. Dat doen ze maar al te graag. De helikopter zwenkt links weg, cirkelt een paar keer boven het bos en landt zachtjes op het Grasland.

Ook Fien en haar oma Lindita horen de helikopter zwenken en dalen. Zij willen deze zeldzaamheid niet missen. Flo stapt uit de helikopter en ziet Fien verbaasd toekijken. ‘Hallo Fien, kom jij hier vaker?’ roept Flo naar Fien. ‘Dag Flo, kom jij hier vaker met de helikopter,’ vraagt zij. ‘Niet va(e)ak genoeg,’ antwoordt Flo.

HOTEL PAPA aan de Machtige Rivier

De Peddelkampioen

peddel2

Ari peddelde van kindsbeen af. Hij peddelde lucht en zand en, als er wind was, ook wind. De peddel was zijn speelgoed. Hij had het gevonden tussen kleren en spullen van hulporganisaties. Maar Ari leefde in een droog land waar er aan water een gebrek is en waar een peddel ongekend is.

Toen hij tien werd besliste hij peddelkampioen te worden. Dus bleef hij oefenen met zwaardere lucht, natter zand en hardere tegenwind. Iedereen vond Ari de beste; hij zou kampioen peddelen worden.

Toen hij zestien werd nam Ari de beslissing die zijn leven veranderde. Hij schreef een brief aan Yussuf, de vluchteling en nieuwkomer die sinds de oorlog leefde in het dorp aan de Machtige Rivier en er leerjongen was van bakker Brodsky. Ari kende Yussuf; in Syrië waren ze buren.

Beste Yussuf,

Je weet zeker nog hoe ik de buurjongens kon blij maken met mijn geslinger en gezwaai en met hoge worpen met mijn peddel.
Ik ben blijven oefenen met lucht, zand en wind.
En nu wil ik gaan oefenen met water.
Kan ik bij jou komen oefenen op water?

Jouw buur en vriend, Ari

Yussuf schreef onmiddellijk terug dat Ari welkom was bij hem en dat hij in het dorp naar bakker Brodsky moest vragen.

Ari pakte zijn rugzak in met verse kleren, sjorde er een tentje en slaapzak aan vast en vertrok. Hij zette zijn handen breed op de peddel; voelde dat zijn spieren hem aanporden. Soepel duwde Ari zich op de grond af en vinnig zette hij de trekslag in.

Zo kwam hij bij de grens met het water. De man aan de grens zag een peddelende stapper op zich afkomen. Gele bladen van de peddel zwenkten links en rechts rond Ari’s lijf. ‘Hier hebben we zeeën van water, zo diep als honderd peddels, roept de grensman, kom hier oefenen op onze boot. Stap in, wij kunnen goede peddelaars gebruiken om de zee over te steken.’ Ari was de koning te rijk, want nu kon hij niet alleen oefenen in water, er waren ook nog acht andere peddelaars met steekpeddels en nog veertien vrouwen en kinderen aan boord.

De man duwde de kleine boot af, de blauwe zee op. Ari zette zich met zijn dubbelzijdige peddel vooraan op de boeg. Hij was blij dat hij zijn spieren nu kon meten met het water, terwijl dit keer de wind door zijn haren streek en hij het zand achter zich kon laten. Hij gaf het ritme aan en de andere peddelaars volgden zijn cadans. Ari en de peddelaars zongen om het ritme aan te houden en om de vrouwen en kinderen moed in te spreken.

Toen ze aan land kwamen was iedereen uitgeput, ook Ari. Maar hij had de zware test doorstaan, zijn lijf trilde, zijn zoute handen waren open gebarsten  en zijn schouders en nekspieren waren hard als steen. Hij sliep twee dagen en twee nachten, één hand op zijn peddel, één hand op zijn rugzak. Dan stapte hij verder, peddelslag links, peddelslag rechts. En hij merkte hoe zijn armspieren nog waren aangesterkt door de tocht over de zee. Hij zou snel Yussuf vinden.

Telkens hij een grens naderde gebeurde het dat grensmannen lachten: ‘Hé, daar, gaat Eend Kwak naar zijn vijver’. Of ook ‘Lid van de zoetwatermarine zeker?’ En omdat ze deze peddelaar zo grappig en naief vonden, lieten ze hem door. Eén enkele  keer wees een grensman hem de weg naar de nabije Soča rivier omdat hij dacht dat Ari meedeed aan de komende wildwaterwedstrijd.

Zo kwam Ari vroeg in de nacht in het dorp van Yussuf aan. Hij zette zijn tentje op in het bosje van Opa Bos langs de rotonde en rolde zijn slaapzak uit.

Toen begon bij het café De Welkom een waakhond wild te blaffen. Was de hond gewekt toen Ari verderop op zoek was naar een geschikte plek voor zijn  tentje? De Cafébaas vond het aanhoudende blaffen verdacht en vroeg de nachtwacht om poolshoogte te komen nemen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is image-11.png

Met hun zoekende zaklampen stootten zij op het tentje van Ari.

Man, morgenavond willen we jou hier niet meer zien, zei de nachtwacht, trek morgen weg en ga verderop naar de andere gemeente! De wet bepaalt  dat je hier niet langer dan 1 nacht én 1 dag  mag blijven. Doe je dat wel, dan pakken we jou op en moet je terug vanwaar je gekomen bent. Wij hebben jou dit niet gezegd, begrepen?

Ari wist dat Yussuf als leerjongen bij Brodsky werkte. Hij moest dus die volgende ochtend bakkerij Brodsky koste wat kost vinden. Brodsky! Brodsky!’ riep Ari al peddelend door het dorp. ‘Brodsky! Yussuf!’

Tientallen pendelaars – chauffeurs, fietsers – passeerden Ari die ochtend op weg naar hun werk. De postbode was té gehaast om Ari te helpen. Scholieren tikten mekaar aan als ze havenloze Ari zagen en reden een eindje om. Hij vreesde dat de politie hem opnieuw zouden vinden.

Toen stopte Santa Mamia naast Ari. Ze stapte van haar fiets, gebaarde hem dichterbij te komen en vroeg ‘Help you need?’ ‘Madam, would you please be so kind to show me the way to bakery Brodsky.’ Ari had dit beleefd zinnetje wel duizend keer ingeoefend. En, eindelijk – eindelijk – kon hij het gebruiken… met succes. ‘You come mee!’ gebaarde Santa Mamia vermoedend naar wie Ari op zoek was. ‘Ik geef taalles aan jongeman Yussuf. Hij woont en werkt bij bakker Brodsky hier om de hoek.

Die morgen werd een heuglijke ochtend. Ari legde zijn peddel neer en omhelsde Yussuf vurig. Ari kwam Arabische woorden tekort en sprak over zijn droom om peddelkampioen te worden, over hoe het er in zijn dorp ginds aan toe ging, over de familie en de buren en over zijn moeilijke tocht hierheen. Yussuf vertelde over zijn nieuw leven hier en zijn werk in de bakkerij om brood te kneden, af te wegen, te bollen en lang te steken, om gebakjes te doreren, te glaceren en te gellen en alles achteraf af te wassen en op te kuisen.

Maar bakker Brodsky besefte dat Ari geen tijd mocht verliezen. Immers Ari moest volgens de wet – 1 nacht , 1 dag – tegen de avond uit het dorp vertrokken zijn.  

Ik weet de oplossing voor jou, zegt bakker Brodsky, jij wil toch peddelkampioen worden, hé Ari? Wel, ik geef jou mijn kajak die hier op de oever van de Machtige Rivier ligt. Elke ochtend steek je met mijn kajak de grens over van onze gemeente en peddel je de ene dag naar de stad rechts en de andere dag naar de stad links, soms stroomopwaarts, soms stroomafwaarts over de Machtige Rivier. Zo oefen je elke dag jouw peddeling en blijf je nooit langer dan één dag in dezelfde gemeente. ’s Avonds keer je telkens terug. ‘

‘Pak jouw peddel, vertrek nu en kom morgen terug!

Ari bedankte Brodsky en Yussuf; omhelsde hen. En vanaf die dag stond Ari’s leven in het teken van één sport op het water: de kajaksport.

Hij peddelde elke dag, elk seizoen, bij felle zon of bij kille wind, op traag stromend water of na felle regen op sneller water. Zijn bewegingen waren zo afwisselend dat hij nu eens kracht trainde dan weer soepelheid, altijd volhouding en soms de korte sprint. Hij was gezegend met een voorbeeldige discipline en een sterke wil.

Zo werd Ari peddelkampioen in dit land en ver daarbuiten.

_______________

Dit verhaal schreef ik nadat buren vertelden over hoe een vluchteling werd opgepakt in onze gemeente en over de gemeentegrens een andere gemeente werd opgeduwd om niet met het ‘probleem’ opgezadeld te zijn.

Hierbij het tentje dat de vluchteling had achter gelaten in het bosje van Opa Bos.

Handleiding over peddelen en de peddelgreep:   

https://www.kayakpaddling.net/nl/2-1

Hotel Papa aan de Machtige Rivier.                                                                                             

Ezel Pjotr, Dame Gans en de oude Haan

Over de ezel Pjotr die bijna verdronken was, over Dame Gans die niet graag zwemt en over de oude Haan die verstoten werd uit het kippenhok en over die drie die te samen wonen op het eiland aan de molen aan de Machtige Rivier, ga ik nu vertellen.

IMG_20180329_100913

Ezel Pjotr is al grijs, niet meer zo koppig en hij staat bekend als goedaardig. Daarom komen kinderen graag langs om er een ritje te maken met Pjotr. Pjotr mag dan wel gezellig zijn, toch is hij ook een beetje dom.

Het gras op de rand van het eilandje was fris, jong, iets té uitnodigend en vooral gladrijk. Pjotr boog zich reikhalzend voorover, slipte, verloor zijn evenwicht en viel pardoes, ja pardoes plonsde hij het water in. Pjotr spartelde nog even, zocht vaste grond die helaas voor hem modder bleek te zijn, en zakte dieper weg, zijn schoft zo goed als onder de waterlijn.

Santa Mamia en Tuinman Wied hoorde Pjotr het eerst Pjotr zijn angstig hortend gebalk. Pjotr zonk nog verder weg. Tuinman Wied greep zijn smartphone, zette de brandweer aan tot spoed, terwijl Santa Mamia langs de kant haar lievelingsezel trachtte gerust te stellen: ‘Pjotr, niet bewegen, kop boven water houden! Rustig ademenWe halen jou er uit. Hoor de sirenes al.’ Een rode brandweertakelwagen reed de brug naar de molen op, twee mannen sprongen eruit, klapten de takelkraan open, vouwden canvas en touw uit. Eén van hen sprong het water in, streelde Pjotr over de kop, sprak hem sussende woorden toe en spande het canvas rond zijn buik. De takelarm trok het touw strak en tilde Pjotr voorzichtig zwevend uit de modder. Drenkeling Pjotr was gered.

Het leven op het eiland kon nu zijn gewone gang hernemen tot…

… Dame Gans kwam. ‘Er wordt verteld in de stad dat jij graag in het water duikt’, zegt Dame Gans spottend, dit eiland lijkt me wel geschikt voor mij; ik blijf hier.’ Daarmee was de zaak geregeld, dacht Dame Gans. Maar zo dacht Pjotr er niet over. ‘Wil madame hier op mijn eiland overnachten? Overnachten dat kan, maar komen wonen is een andere zaak.’ Pjotr had vroeger al eens bezoek gehad van waterwild. Toen waren die bezoekers beleefd gebleven en hadden ze hem vriendelijk gevraagd of ze op het eiland konden kamperen voor één dag of voor enkele dagen tijdens het rockfestival in Werchter.

Maar deze Dame komt uit de stad, komt niet kamperen – vrees ik – arrogant en overtuigd van haar eigen gelijk is ze’, denkt Pjotr. En inderdaad Dame Gans had zich al – vleugels over borst en knie over knie – geïnstalleerd in het hooi naast de stal van Pjotr. ‘Hier gaat mijn zalige rust, dacht Pjotr, maar misschien laat ze me tijdens de dag alleen als ze gaat zwemmen. Ganzen zwemmen immers altijd af en aan op de rustige stukken van de Machtige Rivier, hangen rond met soortgenoten op de oever, peddelen graag rond in groep. Dus zoveel last zal ik al bij al niet hebben van madame; overdag is zij op pad.

Fout gedacht van Pjotr!

Deze Dame Gans, mooie oranje bek en poten van dezelfde kleur, parmantig, goed geolied, borst vooruit, blinkende schrandere oogjes, was van het volhardende soort. ‘Ik ben hier en ik blijf hier, zegt ze, en wat je moet weten en wat mij zo speciaal maakt is dit : IK ZWEM NIET.’ Pjotr viel bijna opnieuw in de rivier van verbazing, maar kon nog tijdig zijn evenwicht behouden. ‘Ja, ik ben namelijk grootgebracht in een chique stadstuin en er was daar geen water in de buurt, antwoordde Dame Gans. Als ik al in het water ga dan is het uitsluitend voor mijn “toilettage” dat is Frans voor opmaak, opsmuk met poedertjes, olie, parfum, en zo.’

Pjotr had het begrepen. Voortaan zou hij moeten samenwonen met Dame Gans, de pronte gans uit de stad die niet zwemt. Zo deden ze.

Maar toen kwam de oude Haan. Uitgeregende donkerbruine veren zonder glans, dodelijk vermoeid, slappe kam, gekwetst in zijn hart en ziel. ‘Beste Haan, wat is er gebeurd?’ vroeg Pjotr bezorgd. ‘Gevochten thuis en het huis uitgezet? Verdiend, zoveel is zeker!’ zei Dame Gans kortaf en vooringenomen. Zij meent immers rabauwen te herkennen in al wie er sjofel uitziet. ‘Beste Ezel, mevrouw Gans, ik heb hulp nodig’, zuchtte de oude Haan. ‘Vertel op, arme kerel,’ zei Pjotr. Dame Gans luisterde mee nieuwsgierig naar de details.

’Ik woonde in een zalige kippenren met tien mooie kippen. Vijf volwassen kippen met gestippelde grijze pluimen met een glans van paars op hun vleugels. En vijf jongere dames bruin bijna donkerrood van kleur. Tijdens de winter liepen we vrij doorheen de weidse groentetuin, scharrelden en pikten er vrolijk. Een jonge haan roder dan rood gekamd, tatoeages op zijn poten en een felle bek, kortom een geweldenaar kwam ons tijdens die winter vervoegen. Hij had dan wel een oogje op de jongere kippen, maar ik liet hem verstaan dat hij te gast was.

Alles liep goed tot op het moment dat bakker Brodsky op het toneel verscheen met zijn dolle biegelhond Flippo. De biegel is, moet u weten, het soort hond dat ingezet wordt voor de jacht op fazanten. Toen Flippo zijn kans schoon zag, spurtte hij naar mijn kippen en pakte er één beet. Bakker Brodsky greep helaas te laat in. Dat arme ding.

Maar de jonge haan greep toen zijn kans en beschuldigde mij van gebrek aan leiderschap. Hij vond mij een zwak kieken dat zichzelf noch anderen kan verdedigen in geval van agressie. Hij kreeg alle kippen aan zijn kant omdat zij nu waren gaan denken dat alleen de jonge haan biegel Flippo kon afhouden als die dolle hond opnieuw zou toeslaan. Toen ging het van kwaad naar erger. De jonge haan stampte, pikte en schopte me en sloeg me op mijn bek. Het kippenren werd voor mij verboden terrein. Ik had geen andere keuze dan weggaan zonder afscheid. Ik sliep onder bruggen, doolde langs de Machtige Rivier, werd door- en doornat en voilà hier sta ik.

Pjotr knikte begripsvol en klopte de oude Haan zachtjes op zijn schouder. Zelfs Dame Gans was onder de indruk van zoveel misère. En wat Pjotr niet had verwacht gebeurde. Dame Gans zei : ‘Er is op ons eiland plek voor drie; kom er maar bij, beste vriend.’

Hotel Papa aan de Machtige Rivier