Dialoog in een voortschuifelende Porsche Cayenne over een afstand van 550 meter

Liften full resolutionEdward walker

Hoe dom kan een mens toch zijn! Ik duwde de deur van de Porsche Cayenne dicht en zei nog ‘Dag, bedankt voor het aanbod; misschien een volgende keer’ en ik bedacht hoe stom ik me had laten verleiden om te liften in plaats van te lopen.

Eerste dialoog in de Porsche Cayenne van mevrouw Clementina wachtend voor de verkeerslichten op de Stationsstraat:

Ik: ‘Mevrouw, bedankt voor de lift, kan ik mee tot in het dorp 1 km verderop? Mijn vader is in hoge nood, de twee neefjes zijn op bezoek en ze zoeken dringend een vierde man om te kaarten. Soms moet een mens zijn wandeling onderbreken en gehoor geven aan de roep van zijn vader en van het kaartspel. Mooie wagen overigens. Een Porsche Cayenne?’

Chauffeur‘Gij hebt oog voor wie goeie smaak heeft. En gij durft nogal! Wie durft er nog te liften tegenwoordig? Ik heb getwijfeld of ik u zou meenemen. Dat begrijpt ge toch?’

Ik: ‘Eerlijk waar, ik heb ook geaarzeld of ik wel zou instappen. Ik ben eigenlijk wandelaar, stappen is goed voor hersenen, pezen, knieën, hart.’

Chauffeur: ‘Maar als de nood hoog is, is een Porsche Cayenne toch rapper, héhé. Verdomd, wéér oranje licht; dat schiet hier niet op!

Ik: ‘Zal ik terug uitstappen en lopen?’

Chauffeur‘Zou ik ook meer moeten doen: loslopen, warmlopen – ah! – fitness is een weldaad voor de mens: trekken, duwen, trappen, heffen… één uur alles geven. Ik heet Clementina; hoe heet u?’

Ik: ‘Jozef, groen licht!’

Tweede dialoog in dezelfde Porsche Cayenne nu wachtend voor de gesloten spoorwegovergang op de Stationsstraat 200 meter verderop:

Clementina: ‘Jezus Christus, nu is ook die spoorweg nog gesloten. Drie treinen per uur, het is een merde!

Ik: ‘Geeft uw routeplanner ook aan wanneer de trein hier passeert? Uw dashboard lijkt wel een computer, hé. Internet connected: spotify, instagram, netflix, filedetectie, whatsApp, voice gestuurd. Een hybride?’

Clementina: ‘Ach Jozef, dit ding is te slim voor mij!’

Ik: ‘Ja, een Porche Cayenne is geen PandaYaris of Twingo. Hoewel die machientjes ook flink met wat toeters en bellen zijn uitgerust tegenwoordig.’

Clementina: ‘Zeg eens, welk kaartspel spelen jullie?’

Ik: Niks speciaals, wiezen met oude centjes. Niet voor geld, hé, voor het plezier!’

Clementina: ‘Dat ontspant. Ik doe aan mindfulness in Antwerpen bij Edel Maex. Spijtig dat de rit heen en terug naar Antwerpen zo stresserend is.’

Ik: Héla, de trein is gepasseerd, de auto’s schuifelen  voort. Start maar, er komt beweging in de file. Vergeet niet: mijn vader en de neefjes wachten op mij!’

Derde en laatste dialoog tussen Clementina en ik, nu stilstaand in de file voor de rotonde op de Stationsstraat 350 meter verderop:

Clementina: ‘Klote, de rotonde is geblokkeerd; we staan muurvast!

Ik: ‘Dom, er zijn natuurlijk wegenwerken op de snelweg; spitsstroken voor de vlotte doorstroming en ze leiden het verkeer om. Teveel bedrijfswagens! Is deze Cayenne een bedrijfswagen?’

Clementina: ‘Ja, wij hebben er twee. Mijn partner heeft bedongen dat zijn vriendin er ook ééntje kreeg.

Ik: Slim onderhandeldUw partner is er de baas zeker?’

Clementina: ‘Jongeman, ik hou niet van uw toontje. Stap maar uit en speel uw zielig spelletje kaart. En ik wilde u nog vragen om met me mee te rijden naar waar uw hartje ook wil. Stap uit!’

Hoe dom kan een mens toch zijn dat hij verkiest te lopen boven wat zijn hartje ook wil: rijden in de Porsche Cayenne van Clementina.

____________________________________________________________________________________________________________________________

Foto: Walker Evans, Vicksburg – Mississippi 1936
By Farm Security Administration Photographers [Public domain], via Wikimedia Commons

HOTEL PAPA aan de Machtige Rivier

Blaas Pluis Blaas

Oma Sjam en Pad Polder wandelen door het bos naar het Grasland. Reiger Klep komt zwierig aangeland. Pad Polder en Reiger Klep zijn vrienden en ze jennen elkaar graag.

Klep, man, gisteren heb ik jou gezien bij de tuinvijver van buurvrouw Chantilly, goudvis uit haar vijver vissen! Gemakkelijk hé, andermans pleziertje wegpikken! Hoe durf je?’

‘Polder, zwijg, ik kom terug van de Wingebeek en wat me daar overkomen is, is een geluk bij een ongeluk. Luister!

‘ Zilverreiger ken je toch hé? Zij had daar aan de Wingebeek streekvis geroosterd op haar barbecue. Baarsjes op houtskool, lekkerder dan Hollandse maatjes. Ik snapte ze weg met mijn snavel, klepperde een paar keer en wou het zaakje inslikken. Toen bleef een stekel van de stekelbaars steken in mijn keel. Stekelbaars moet je eerst van stekels ontdoen en dan zeer voorzichtig oplepelen. Voorns slik je zo in; maar stekelbaars daar moeten wij reigers exta voor opletten.’

‘Wat niet mocht gebeuren, gebeurde: dwars vooraan in mijn hals zat de stekel. Muurvast. Als Zilverreiger er niet geweest was, stond ik hier nu niet. Zij vond een schaartje in haar groene toilettas en met een lampje zocht ze in mijn keel. Het schaartje was te kort. Vliegensvlug wisselde Zilverreiger het schaartje voor het pincet waarmee ze haar okselharen epileert, belichtte mijn keel opnieuw, vond het dwarse stukje, duwde en plooide het met haar pincet en wist de stekel uit mijn hals te vissen.’

‘Beste Pad Polder, ik heb mijn lesje geleerd, let op voor barbecues met lekkers dat stekels heeft. Ik heb Zilverreiger uiteraard uitvoerig bedankt voor zoveel zorg en ik heb haar beloofd haar uit te nodigen aan mijn beek voor lunch met op het menu de zeldzame beekprik (als ik hem kan vangen) en met een groentekrans van kleinkroos, bultkroos en fonteinkruid.

Oma Sjam luistert met grote aandacht naar het gesprek tussen Pad Polder en Reiger Klep. ‘Klep mag van geluk spreken dat Zilverreiger een pincet in haar toilettas had’, denkt Oma Sjam.

Laten we samen verder wandelen,’ zegt Oma Sjam. En dat doen ze, Oma Sjam tussen Pad Polder en Reiger Klep in met Polder aan de ene arm en Klep aan de andere.

Jij hebt geen vleugels, jij bent een beetje dik en kwabbig en rond sjokken hier is meer jouw ding, zou ik denken, jent Reiger Klep zijn vriendin Pad Polder over het hoofd van Oma Sjam heen, veel rondtrekken doe jij niet, tochTe korte beentjes?

Dan vertelt Polder haar verhaal.

‘ Eén keer mocht ik met Opa Bos mee langs de Machtige Rivier. Ik mocht midden op het stuur van zijn fiets zitten, haren in de wind, tot in Aarschot en terug. Heb jij ooit al drie uur op het wiebelende fietsstuur van een 93-jarige gezeten, Klep? Hoe lachen honden – chihuahuas en pincherkes – in hondenmandjes op elektrische fietsen je niet uit? Hoe blazen sportfietsers en snelbikes je van de  weg en ei zo na de Machtige Rivier in!’

‘Neen, reizen is ronduit gevaarlijk. Eén keer per jaar, helaas, móeten wij padden reizen! Dan doen wij de paddentrek van Droogland naar Natland in groepen van honderden tegelijk. Gezellig met z’n allen, zo denk jij misschien? Maar vergis je niet! Het is een pad vol risico’s. Van hier naar ginder is misschien maar 730 meter ver, maar o zo gevaarlijk! Eén op de vier keert niet meer terug! Ofwel worden we opgepikt door dieren zoals u, reigers, ofwel worden we van straat geplukt door uilen, buizerds of kraaien. En de vos en de bunzing zijn ook geen lieverdjes. Maar gevaarlijker nog is de oversteek over straat. Wielen roffelen over ons heen. Sommigen, velen pletten ons plat. Zelfs Opa Bos en Flo met hun fiets kijken niet uit.’ Eén op vier. Dat is een zware tol. Het is ons lot!’

Oma Sjam, tussen beiden in, kijkt links naar Reiger Klep en rechts naar Pad Polder, luistert, knikt en begrijpt de zorg van beiden

In gedachten vat Oma Sjam het gesprek samen en bedenkt zij dat Reiger Klep gered is geweest van een gewisse dood door verstikking en dat Pad Polder jaarlijks haar leven op het spel zet bij de paddentrek. ‘Het leven is een pluis in de lucht.

Dan besluit Oma Sjam om niet te spreken maar te zingen. Zij zingt:

                             pluis blaas pluis

                             blaas me niet weg van huis

                             blaas pluis blaas

                             waar ook de wind mij blaast

Met zijn drieën komen ze het Grasland op gewandeld. Oma Sjam stopt, zoekt even en plukt een paardenbloem. Zij vraagt Reiger Klep en Pad Polder samen “pluis, blaas, pluis,” te zingen en te … blazen.

Foto: Linde Deklerck

Aischa

Ah, Aischa! Hoe naarstig toch werkte zij aan haar eerste roman! De minister van Transport had Aischa geposteerd in een zijkamertje van zijn kabinet. Van staatszaken moest zij zich ver weg houden en liefst ook van alle andere vlijtige kabinetsmedewerkers.

Aischa’s boek ontspon zich rond het thema van de eeuwig durende bloedvetes in het bloedmooie stadje Peja met de omringende vier adembenemende bergkammen die welke slechte gedachte dan ook onmiddellijk doen verdampen. Ook vertakte haar verhaallijn zich tot over de grens van het landje tot in het inmiddels vrediger [noot: fietsrijke] Shkodra.

Nu gebeurde het dat de minister bij tijd en wijle een buitenlandse mogendheid bezocht om voorzieningen te sprokkelen voor staatszaken in Transport. Tussen twee hoofdstukken in gaf dit Aischa de kans om haar landje comfortabel rond te toeren op zoek naar achtergronden om haar thematiek verder uit te diepen. Het was mij een hele eer toen ze me vroeg haar op deze zoektocht te vergezellen. Vóór zijn vertrek instrueerde de minister nog mijn vertaler om mijn tot dusver onwennige communicatie met Aischa in die vreemde taal op punten en komma’s te controleren. Maar mijn vertaler werd lui zodra de minister op ronde was en bleef dan liever thuis.

Aischa en ik bezochten Donjon torens – daar “Kula”genoemd – waar ooit clanslachtoffers van bloedvetes zich mogelijks schuil hadden gehouden. We voerden warme gesprekken op terrassen in de buurt van politiekantoren en picknickten langs vervaarlijke bergrivieren waar vermeende daders de oversteek hadden gemaakt. We waagden het zelfs om de grens over te steken naar het roversnest Bajram Curri, de toegangspoort tot het paradijselijke Valbona, de vallei van de barmhartigheid. Helaas kreeg ik toen een telefoontje  van mijn hoofdkwartier om onverwijld mijn missie te onderbreken. ‘Aischa, kind, de plicht roept’, zei ik, maar we komen weder.’

Het was mijn vergetelheid! Op de dag van zijn terugkeer naar zijn thuisland, zou de minister nog een nieuwe weg inhuldigen. In mijn agenda had ik verkeerdelijk “Aischa” genoteerd. In allerijl riep ik Rama, Reza, Xhevdeti, Xhevat en Edilah op tot actie en verzocht om kussentje, lint, schaar en staatsauto. Aischa sloeg haar laptop open en bleef wijselijk achter.

Het was een mooie vooravond toen ons gezelschap arriveerde op het brandschone wegdek. Mijn baas stond er mij misnoegd maar opgelucht op te wachten. Reza en Xhevdeti spanden het lint strak zodat de geplogenheden een aanvang konden nemen. Hoe mooi toch waren die woorden! Zij droegen bij tot het duurzaam herstel van het wegdek dat eerder door rollend militair materieel in de vernieling was gereden. Ik nam deze foto:

IMG_20181012_100459

Mijn dagen waren nu geteld. In de eigen landstaal had mijn vertaler de minister gebriefd over de punten en komma’s van mijn missie met Aischa. Ik hoopte op respijt, zocht nog heil in de adembenemende diepe Rugova canyon en op de flanken van het Montenegrijns grenshoogland. Helaas, ik moest voortaan  bloedwraak vrezen.

De koerier belde thuis aan en overhandigde me het kartonnen doosje. Aischa had aan mij gedacht met een helrode kaft en de onheilspellende naam “Plage e mallit”: haar roman waarin ik de ‘bad guy’ speel, notabene in een hoofdrol.

Dit vermaledijde boek heeft mijn lot voor eeuwig bezegeld.

HOTEL PAPA aan de Machtige Rivier

Mannen waaien er weg

Zij trekt haar gekraste kano aan land aan de soldatenbrug over de Machtige Rivier.

Hij haalt uit zijn sporty fietstas een busje energiedrank en krachtkoek. Tegen de boom staat zijn verreafstandsfiets.

Omdat avontuur toeval nodig heeft, kijkt Jessie Anderson verwachtingsvol naar de gespierde gebruinde kanovaarster die zijn kant op komt.

Jessie Anderson: ‘Hello, jij bent de eerste kanovrouw die ik hier tegenkom. Ben jij al lang onderweg?’

Kanovrouw‘Twee maand zo ongeveer. Ik kom uit Estland aan de Baltische kant van de Oostzee waar alle meisjes van jongs af leren kanovaren op de Estse meren en rivieren. En jij, vanwaar kom jij? Jij ziet er moe uit!’

Jessie Anderson: ‘Ik kom van de Shetlands, eilanden boven Schotland, waar nooit gefietst wordt omdat de wind er te erg waait. Toen ik van deze tocht droomde, heb ik mijn eerste fiets – deze hier – gekocht. Daarom word ik nog snel moe en moet ik regelmatig rusten.’

Kanovrouw: ‘ Zozo, mannen waaien er weg hé? Ben jij daarom hier? Hoe heet jouw  eiland?’

Jessie Anderson‘Unst, het meest noordelijke eiland van de Shetlands, halfweg tussen Schotland en al dicht tegen Noorwegen.’

Kanovrouw: ‘Wind, wolken, storm en regen; daar hou ik van. De natuur op zijn best. Ik peddel westwaarts en ik kijk al uit naar jullie felle luchten op de Shetlands.’

Jessie Anderson: ‘Laten we hier samen iets eten en drinken en onderwijl luister ik naar jouw verhaal over jouw tocht over rivieren, machtiger wellicht nog dan deze.’

Kanovrouw: ‘Als je kano vaart zie je veel, hoor je veel, ruik je veel, maar niets is fijner dan een verre reiziger te ontmoeten. Ik heet Laura Tamm. En jij?’

Jessie Anderson: ‘Ik heet Jessie Anderson’

Rosaly en Chantilly uit het dorp zitten aan de andere zijde van de picknicktafel en volgen het gesprek tussen Laura Tamm en Jessie Anderson. Rosaly en Chantilly neuriën:

                                 Litouw Letland Estland

                                Vrouwen varen er weg

                                Schotland Orkney Shetland

                                Mannen waaien er weg

Laura Tamm: ‘Morgen vaar ik verder tot aan de bocht van Bath in de Westerschelde en daarna steek ik de Noordzee over, de Thames op voorbij London.

Jessie Anderson‘Bij eb kan je met de Schelde meedrijven. Dat heb je goed bekeken. Maar dan komt de zee met vervaarlijke stromingen en een kano kan bij sterke wind breken als een lucifer tussen twee vingers. Schrikt jou dat niet af?’

Laura Tamm: ‘Ja, dat wordt uitkijken voor wild water. Ik neem voldoende drank en powerfood mee en ik rust wel uit op de sokkel van een windmolen op zee. Ik maak me meer zorgen om de ontvangst ginder. Zijn ze daar even vriendelijk als jij?’

Jessie Anderson‘Niet altijd. Het hangt ervan af wie je treft. Londenaars bijvoorbeeld zijn hebberig. Dorpen langs de rivieren zijn schattig maar niet altijd verwelkomend. Op de eilanden heersen wind en wolken.’

Laura Tamm‘Ik wil doorzetten, mijn hoofd vrij maken.’

Jessie Anderson’Ik ook, ík zet door naar Estland en daarna verder, de rondtrip langs Finland, Zweden, Noorwegen. Zijn de mensen ginder in Estland even vriendelijk als jij?’

Rosaly en Chantilly zijn benieuwd naar het vervolg van het verhaal van die Estse Laura Tamm en van Shetlander Jessie Anderson. ‘Zo’n lef; zo’n durf, zo ver van huis die twee!‘ Zij neuriën:

                                Oostland Estland

                                Vrouwen durven het aan

                                Zij varen wel maar komen ze ook aan?

                                Orkneys Shetlands

                                Wind wolken storm en regen  

                                Mannen trappen wel

                              Maar waaien ze er niet weg?

De zon staat al lager. De kano ligt nog aan de oever en de fiets staat nog gestald tegen de leuning van de soldatenbrug. Laura en Jessie hangen voorovergebogen over een kaart en praten over het vervolg van hun reis.

Shetlands – Estland roundtour

Jessie‘Ben je zeker dat je naar de eilanden wil? Wind, wolken, storm en regen. Bomen bieden er geen beschutting want die zijn er niet op Shetland. De oceaan botst er op de Noordzee. Het is er heftig. De wind heeft er vrij spel.’

Laura: ‘Slappeling! Ben jij er dan echt weggewaaid? Als jij al ooit in Estland zou geraken, ga dan naar één van de vele eilanden voor de kust, eenzame fietsers zoals jij voelen er zich misschien thuis. En er staan bomen, dat scheelt.’

Jessie‘Dank u, ik moet geen advies. Ben jij van de Estse toeristische dienst misschien? ’

Laura: Neen, man, Ik vaar om te vergeten.’

Jessie: ‘Ah, dan hebben we toch iets gemeen?’

Laura: ‘Dat lijkt er op, ja.’

Jessie‘Het wordt laat ’

Laura‘Ja, de zon gaat onder!’

Rosaly en Chantilly zien Laura en Jessie vermoeid en stil bij mekaar zitten.

Kom, we overnachten hier in de B & B’, zegt Jessie plots en hij legt een arm over haar schouder.

                              Water wind storm en regen

                              Mannen waaien er weg

                              Vrouwen willen er heen

                              Water wind storm en regen

______________________________________________________________________________________________________________________________

Hotel Papa aan de Machtige Rivier

Dikke vriend

Toen kreeg Yussuf dit briefje van zijn vriend Malouf uit zijn geboorteland:

Dikke vriend Yussuf,

.Ik ben nu 14 jaar en de school in het dorp is terug open. We hebben schoolboeken gekregen en de leraar leert ons schrijven en rekenen.

Schrijf me een brief!

Malouf

Yussuf was 18 jaar toen hij in ons land zijn vlucht afbrak. Bij bakker Brodsky werkt hij als leerjongen. Hij bakt er mee tarwe-, haverzemelen-, spelt- en roggebrood, kramiek, pistolet en appelbol. De bakkerstaal heeft Yussuf na anderhalf jaar onder de knie; de dorpstaal ligt hem moeilijker in de mond. Het dorp leert hij kennen omdat Brodsky hem verhalen vertelt van vroeger en nu en omdat klanten wel eens wat durven te vragen aan Yussuf. En wat nog belangrijker is: bakker Brodsky luistert ook naar Yussufs verhaal.

Zijn dikke vriend Malouf had dan toch leren schrijven. Yussuf vond Malouf’s brief mooi. Ik moet hem ook een even mooie brief kunnen terug schrijven, zo dacht Yussuf die nog nooit een brief had geschreven. Maar wie kan mij helpen? Brodsky, ja, maar aan mijn baas vraag ik het liever niet. Ik vraag het aan één van de vriendelijke dames.

En zo gebeurde het dat Yussuf een briefje onder de deur van buurvrouw Lindita durfde te schuiven:

Dikke vrouw Lindita,

Ik ben nu 20 jaar en mijn vriend Malouf vraagt mij te hem schrijven.

Wild u mij leren beter schrijven brief?

Ik weet u koopt brood bij meester Brodsky en wonen wij in hetzelfde straat.

U taal spreek ik al goed maar ik schrijf domme fauten.

Yussuf

Nu moet ik dit verhaal toch even onderbreken en u, lezer, een vraag stellen. Hoe zou u reageren als u een brief, e-mail of tweet zou krijgen met als aanspreking ‘Dikke vrouw of dikke man … [vul hier jouw naam in].’ Zou u glimlachen of kwaad worden? Wees eerlijk: zou u ‘Dikke … [vul hier jouw naam in]’ niet ongemanierd, ja onbeschoft vinden? Of denk je: ah, die Yussuf, hij is onze taal nog niet machtig en hij bedoelt het goed.

Hoe denkt u dat Lindita reageert op haar aanspreking?

Zij las het briefje, herlas het en … lachte. Lindita besloot de gevestigde regels van de briefschrijverij te volgen.

Op woensdag 5 september om 10.16 uur stak de postbode op haar brommertje de brief van Lindita bij Yussuf in de bus.

Dikke vriend

Hallo Yussuf

Ik ben nu 59 jaar en het is lang geleden dat ik nog een briefje onder mijn deur heb gevonden. Dat is bijzonder vriendelijk.

Ik wil u helpen om een mooie brief zonder fouten te schrijven aan uw andere dikke vriend Malouf.

Ik nodig u ook uit op de koffie mét heerlijke kramiek van meester Brodsky door u wellicht gekneed.  

Lindita

Ps 1: U kan “u en uw” in deze brief ook vervangen door “jou, jouw en je”.

Ps 2: Hieronder uw eerdere brief vrij gecorrigeerd:

Dag lieve buurvrouw Lindita,

Ik ben nu 20 jaar jong en mijn dikke vriend Malouf in mijn geboorteland heeft mij een mooie brief geschreven. Hij is fier dat hij terug naar school gaat en hij leert er schrijven en rekenen. Hij vraagt mij zijn brief te beantwoorden.

Zou u zo vriendelijk willen zijn om mij te leren hoe ik een brief moet schrijven?

Ik weet dat u bij meester Brodsky kramiek komt kopen. Wij zijn buren; wij wonen in dezelfde straat.

Mijn Vlaams is al “vrie goe” maar ik schrijf nog stomme fouten.

Yussuf                                                               Vrij gecorrigeerd door Lindita  

Op vrijdag 7 september 10.07 uur stak dezelfde postbode op haar brommertje de brief van Lindita in de bus bij Yussuf. Yussuf was er niet meer.

Op donderdag 6 september 10.19 uur had Yussuf een andere brief gekregen – een uitwijzingsbevel uit Brussel -.

HOTEL PAPA aan de machtige rivier

Night Train to Ostend

noc-vlak

’Schrijft u ook of bent u boekhouder, advocaat misschien?’ vraag ik aan de man met de vlinderdas die rommelt tussen de papieren in zijn rode map. Hij nipt eerst nog van zijn cappuccino op het krappe cafétafeltje en antwoordt verontwaardigd: ‘Mijnheer – de bundel in zijn opgeheven zwaaiende hand – dit hier is goud voor Hollywood: mijn script … Night Train to Ostend.’ 

Moet lukken, zeg ik, nadat de man me uitgebreid heeft ingewijd in de snijdende verhaallijn en in sommige pikante details. Het klopt wel wat u zegt, Hollywood kan tegenwoordig een sterk scenario gebruiken,’ beaam ik. Vlinderdas knikt drie keer zelfverzekerd en ritselt verder.

Ik zucht, betaal mijn koffie en trek een eindje verder. Ik ben namelijk op weg naar mevrouw Balie, de bibliothecaresse die enkele van mijn verhalen in tweede versie te lezen had gekregen. ‘Ik zou bij god niet weten waar ik uw verhalen moet klasseren,’ zegt Balie op scherpe toon. Op de benedenverdieping bij de jeugdliteratuur? Bij de fictie met wortels in de heimat? Filosofie, kom zeg! Een beetje toneel, een columnpje hier en een dichtsel daar? Ik mis een vertelling over nacht en ontij en vechtgrage mannen, over het spel van kleine goden met kwalijk geld, over trucs met brood en wijn onder toezicht van de allerhoogste, risico’s in bed en op de beursvloer, kortom het serieuze werk.’

Kan ik dan in uw bibliotheek die betere verhalen vinden?’ vraag ik aan mevrouw Balie. Balie recht haar rug, strekt haar pronte boezem, en zegt: ‘beste man, hier staat uw verhaal, voor uw neus! Ik ben het huis uitgeschopt omdat ik voor niks deugde. En zie, mijn leven is één aaneenschakeling geworden van verre horizonten, mannen met losse handjes, van bangelijke schepsels die het licht schuwen en het hoge spel van kleine lieden zoals ik – water aan de mond- van schepsels mét en zonder fatsoen, en een miraculeuze redding die me hier in de bib heeft doen belanden.’

‘ Is dat drama, komedie, fictie of non –fictie?’ vraag ik haar. ‘Maak dat je hier wegkomt, amateur!’

De burgemeester komt langs gefietst, stapt af en klopt me bemoedigend op de schouder. ‘Jongeman, schrijf eens over de wederopstanding van de paardenprocessie in Werchter. En vergeet niet te vermelden dat ik in de stoet achter het baldakijn van de pastoor mee schrijd.’ ‘Burgemeester, zoek een broodschrijver, antwoord ik gepikeerd, kerk en staat zijn sinds Napoleon Bonaparte gescheiden!’

 Dag Rosaly, dag ChantillyDe zomer is helaas voorbij, maar er komen nog mooie dagen in oktober.’ De buurvrouwen komen hand in hand de bib uitgestapt. Zij zijn lezeressen van mijn verhalen in eerste versie; ‘Ons advies is eensluidend, zeggen de dames. Lezers willen jóúw levensverhaal in de krant, bijvoorbeeld onder de rubriek Streeknieuws:’

 Hotel Papa  [titel krantenartikel]. De heer Z., 67 jaar, woont terug bij zijn sukkelachtige [fake nieuws] vader, 93 jaar, na een leven van successen en mislukkingen en 17 adressen. Meneer Z. schrijft verhalen over de streek waar hij in armoede [fake nieuws] naar teruggekeerd is en ook schrijft hij nu om den brode toneel voor scholen en rusthuizen.”

Ik zoek troost aan dezelfde tafel op het terras van hetzelfde café als vanmorgen en bestel een glaasje plat water. Naast mij zit Vlinderdas in druk gesprek met een vlotte prater. Engels spreken ze. Ik meen te horen: ‘Just book a flight to Hollywood, man, and sign that F* contract!

HOTEL PAPA aan de machtige rivier

Over het riooldeksel dat de lucht in vloog, de beekadmiraal, superMieMot en de haasbaron

De riolen zwollen op. Als een donkere beek in een hellebos viel de regen over boomkruinen, over straatlantaarns, over lege straten. De riolen verslikten zich. Gerommel ondergronds, iets wou ontsnappen. Het ding woelde, rochelde in de rioolkoker. Het gietijzeren riooldeksel lichtte nog even op tot het ding zijn rug rechtte en het zware deksel de lucht in spuwde wel 5 meter hoog. Het water spoot nog hoger, 10 meter. De reuzeaardworm glibberde het riool uit, de straat over, het Natland terug in.

Opa Bos en Flo stonden die hellenacht met open mond achter het raam toe te kijken.

Niemand geloofde ons. De burgemeester niet, de rioolagent niet, de buren niet. We schreven brieven, mailden, we telefoneerden.
Een reuzeaardworm in het riool van ons
dorp? Kom, kom, dat is toch te gek voor
woorden! Wie gelooft er nu nog een 93-jarige en zijn zoon, die fantast?  

[Opa Bos toont op de foto het riooldeksel dat die onweersnacht de lucht in vloog toen de reuzeaardworm ontsnapte uit het riool.]

Maar denk niet dat dit nu einde story is; het verhaal komt nu pas goed op dreef!   Flo en zijn Opa konden maanden later hun nieuwsgierigheid – noodzakelijk voor elk avontuur – niet langer bedwingen.

En dát verhaal zal Flo nu vertellen.

De reuzeaardworm had zich niet meer vertoond. Maar, en dat wisten wij zeker, zo’n lange harige aardreus moest zich ergens verschuilen. Waar konden we onze zoektocht beter starten dan in het riool zelf dat er in de hete zomer van 2018 kurkdroog bij lag? Opa Bos en ik kropen dus het riool in op verkenning.

De rioolkever die we er als eerste ontmoetten snakte naar water. Hij sméékte ons om water. Opa had een flesje koel bruis meegenomen omdat hij vermoedde dat het wel eens een lange dag kon worden onder de grond. Hij haalde het flesje boven, gaf het aan de rioolkever die zonder blikken of blozen, – ongemanierd eigenlijk – het hele flesje in één teug uitdronk. Zijn oogjes in zijn kleine keverkop op zijn paars fluorescerend schild leefden op. Hij was Opa dankbaar.’Merçi, merçi, dorstigen laven is een schone deugd. Drinken in deze riool is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Voor vers water moet ik steeds een hele weg afleggen naar Natland, vertelt de rioolkever, en daar in Natland waakt de Beekadmiraal als een tiran over zijn voorraad water. De Beekadmiraal is, op zijn zachtst gezegd, niet de vriendelijkste hier. Kevers moeten hoge tol betalen om zijn burcht binnen te komen. Als je weigert tol te betalen, kom je niet aan vers water!

Kom we kruipen verder naar Natland, want nu jij ons flesje bruis hebt leeggedronken, zullen wij opnieuw drank moeten zoeken, zegt Opa. Kever, wijs ons de weg!’ De rioolkever stak nog meer lichtjes aan op zijn gewei, op zijn voelsprieten en op zijn rug. Dat hielp, in de verlichte tunnel trokken we verder.

In het riool kwamen we een aarden afslag tegen en begrepen nu waarom het riool zo verstopt kon geraken. De afslag was ook de wc van de reuzeaardworm; half vers, half compost. Het stonk er naar kak van schepsels die nooit het zonlicht zien. Mestkevers, torren en pieren woelden in de dampende hoop. Vriendelijk begroetten zij  de veel grotere rioolkever. We wrongen ons, de rioolkever op kop, langsheen de stinkende verstopping en legden nog 100 meter af door de droge aarden gang.

Aan een nieuwe afslag in dezefde gang lag de reuzeaardworm in een grot van 3 meter lang , 1,5 meter breed en 80 cm hoog opgerold te snurken.

Kan hij vervelend doen als hij wakker wordt?’ vroeg ik aan de rioolkever. ‘Neen, de reuzeaardworm  ziet er schrikwekkend uit en, toegegeven, hij is oersterk – een fel gespierde kerel – maar wij kevers zijn blij dat hij er is. Hij beschermt ons tegen de tirannie van de Beekadmiraal. In geval van nood, bijvoorbeeld tijdens hete zomers zoals deze, helpt de reuzeaardworm ons om aan water te geraken. Hij trekt er dan op uit, opent het riooldeksel op straat, zoekt waterputten op bij mensen, zuigt zich  vol met water en keert met een watervoorraad terug waarvoor we geen tol hoeven te betalen. Goeie kerel, onze aardworm. De beekadmiraal ziet dat niet graag gebeuren, maar hij houdt de reuzeaardworm toch liever te vriend. Dat is te begrijpen, het is zo’n groot sterk beest.’

Kom, we gaan kijken of de beekgarnalen ons binnenlaten,’ zei de rioolkever en hij sluisde ons verder langsheen de snurkende reuzeaardworm die één oog opendeed maar algauw weer goedmoedig sloot. Nu voelden we dat de aarde vochtiger werd en we zagen een onderwaterbeekburcht opdoemen.

‘Wij willen de Beekadmiraal spreken, misschien een glaasje water drinken en een voorraadje drank inslaan’ zei de rioolkever aan de beekgarnalen die de burcht bewaken. ‘Eerst betalen, dan drinken’, antwoordden de wachters die met de scharen van hun voorpoten kletterden tegen hun harnas en ondertussen met hun voelsprieten onze zakken aftastten naar geld. ‘Betalen, cash in harde valuta, geen krediet’, de beekgarnalen hadden duidelijke bevelen en weinig geduld met bezoekers.

Ook de beekgarnalen hadden dorst en verlangden naar fris water. En omdat ze zo’n grote dorst hadden waren ze nerveus en gevoelig voor elk verkeerd woord. Opa Bos besefte dit en maande mij aan tot zwijgen. Hij vroeg de beekgarnalen vriendelijk om hun sprieten thuis te laten en hij toverde een zakje tevoorschijn dat om zijn hals hing. ‘Ik betaal in harde munt als jullie ons tot bij de Beekadmiraal brengen,’ zegt Opa en hij rammelde met de munten in het zakje in zijn hand. ‘Als jullie maar betalen aan de Beekadmiraal; wij mogen onze post niet verlaten, zei één van de beekgarnalen die een dikker harnas droeg dan de anderen. De beekpaardjes zullen u begeleiden naar de Beekadmiraal. Daar komen ze!’

Terwijl de beekgarnalen onbeleefd, ja onbeschoft, waren tegen ons, waren de beekpaardjes vriendelijk, zelfs verleidelijk. ‘Kom mee, we brengen jullie naar onze Beekadmiraal,’ knipoogden ze. Onze vriend de rioolkever voelde zich niet op zijn gemak en maande ons aan om waakzaam te blijven.

Onverhoeds doken de Modderpad, de Wortelvreter en de Schaartor op en met z’n drieën duwden ze ons brutaal op de grond. Opa kneusde zijn rib en ik voelde een buil op mijn kop opbollen. Protesteren konden we niet, want de Modderpad had ons al vast bij de schouders met zijn beide modderige modderpoten; de tandeloze Wortelvreter pakte ons beet bij de voeten en de nagelscherpe Schaartor leidde ons onzalig groepje weg langs de druipende muren van de waterburcht. Modderpad spuwde nog gelig slijm dat aan mijn mouwen bleef kleven en Wortelvreter vrat aan de broekpijpen van Opa. Schaartor schalde scherp dat er een eind moest komen aan dat geslijm en gevreet. Wij werden hardhandig voor de voeten van de Beekadmiraal gesleurd. ‘Eindelijk! Wat moet dat, mijn domein betreden zonder visum. Jullie hebben een achterbaks plan en dat bevalt mij niet! Spreek op! Welk is jullie geheime opdracht, onverlaten, crapuul!’

Opa Bos gebaarde dat hij het woord wou nemen. ‘Ik ben de oudste van het dorp, ouder dan ik is hier niemand in Natland, ik heb recht van spreken. Ik heb dit bos zien groeien, eerst weiland daarna moeras, dan weer populierenbos, rooien en woelen, vijvers graven en vervuilde beken proper maken, wandelpaden trekken en bomen vellen, infoborden plaatsen en bevers loslaten…..dat allemaal heb ik hier zien gebeuren. Zonder mij, zou de burgemeester een waterpretpark van dit Natland gemaakt hebben en Mister Barnes van Droogland een festivalweide zoals in Werchter. Dat zou hier geschied zijn, zonder mij….ik die ouder ben dan U, bijna honderd jaar, mijnheer de  Beekadmiraal. Dit is de waarheid, de volledige waarheid.

De Beekadmiraal werd warempel stil op zijn admiraalstroon; verschool zich even achter zijn admiraalspet; dacht diep na en zei: ‘Opa Bos, mijn respect, zonder u zou Natland drooggelegd zijn en Populierenland zijn geworden. Mijn waterburcht heb ik kunnen bouwen dankzij U. Ik bied jullie vrije doorgang naar Droogland – zonder tol – en jullie krijgen van mij drank mee zoveel als jullie kunnen dragen.’

De rioolkever kon nu vrij terugkeren naar huis. Opa Bos en ik haalden opgelucht adem, al werd de buil op mijn kop almaar dikker en voelde Opa zijn gekneusde rib knagen. ‘Terugkeren? Geen sprake van,’ we knikten naar mekaar  en zouden – nieuwsgieriger nog – die nieuwe wereld onder Natland en  Droogland verder verkennen.

Modderpad, Wortelvreter en Schaartor, die nu diep voorover bogen voor ons -de nieuwe vrienden van hun baas de Beekadmiraal – boden ons aan om ons te begeleiden langs de aarden gang naar Droogland. Het werd er almaar droger. Na 100 meter werd het voor Modderpad, Wortelvreter en Schaartor té droog en keerden ze zuchtend en grollend terug naar Waterland met in hun spoor gele slijm, nat gekauwde wortels en stuk geknipte lisdodden. ‘Blij dat we die rare jongens kwijt zijn!’ zuchtte Opa Bos.

We struikelden verder door de tunnel tot waar een lichtstraal door de droge bovenwand een kloof van 3 meter lang, 2 meter hoog en 1,50 meter breed onthulde. Een warrige wolk van nachtvlinders dimde het invallend licht. Op een verhoogje zagen we een wezen languit liggen met harige vleugels gedrapeerd over een stoffige sofa. ‘Welkom, zei een vrouwenstem, ik ben SuperMieMot, ik leef onderaards in mijn mottenpaleis waar voldoende licht binnenvalt. Wasmotten, fruitmotten, kleermotten, koolmotten en meelmotten brengen mij alles wat ik nodig heb. Maar vooral parfum! Vooral parfum! Als jullie parfum meegebracht hebben geef ik jullie doorgang. …zo niet roep ik de gifmotten en staat jullie een verschrikkelijke dood te wachten.

Opa haalde uit zijn binnenzak een witte tube zonder etiket. Ik besefte onmiddellijk dat dit zalf was van apotheker De Pelicijn; de zalf gemaakt van haar geheim recept tegen jeuk van muggen en dazen. Ik zweeg maar dacht ‘Opa, deze zalf is toch geen parfum.’ Maar Opa gebaarde opnieuw dat hij het woord wou nemen. ‘Ik ben de oudste van het dorp, ouder dan ik is hier niemand in Droogland , ik heb recht van spreken. Ik weet dat het mottengild gegeseld wordt door vileine steken van muggen en dazen. In dit bos heb ik ze weten toestromen met duizenden tegelijk. Muggen en dazen berokkenen U, SuperMieMot, ellendige jeuk en overbodig gekrab. Deze zalf tegen de jeuk is beter dan welk ander mottenparfum, van welk befaamd merk dan ook. Ik adviseer U om deze zalf te proberen.’ SuperMieMot hoopte inderdaad verlost te worden van de gesel van de jeuk. Zij tastte  – eerst aarzelend – met haar beide antennes de tube af, schroefde de dop los met vinnige pootjes, rook aan de zalf, lachte en smeerde dan de ganse tube uit over haar beide vleugels.

De jeuk stopte wonderwel na enkele minuten. ‘Inderdaad Opa Bos, het is dan wel geen parfum Dior # 5, maar deze zalf is een zegen voor ons Motten. Ga terug naar apotheker De Pelicijn en ontfutsel haar het geheim recept. Met dat recept laat ik dan mijn apotheker mijn eigen wonderzalf bereiden in vaten van 50 liter.’ 

Opa wist dat hij het geheim recept van apotheker De Pelicijn niet kon krijgen, maar gelet op de benarde situatie waarin we weer verzeild waren geraakt, meende hij dat een leugentje om bestwil nu op zijn plaats was. Hij beloofde SuperMieMot dat hij het recept eerstdaags zou retourneren per koerier. SuperMieMot besefte dat zij op Opa Bos moest vertrouwen en zij deed met haar ringvinger teken dat Flo en Opa Bos mochten vertrekken. In een wolk van harige motten werden we begeleid naar de toegang van het onderaards kasteel van Baron Haas, honderd meter verderop onder Droogland.

Jullie wonen hier mooi en droog, zo sprak ik het groepje haasjonkers en haasjonkvrouwen dat op ons afkwam toe. Die Haasbaron van jullie heeft zijn zaakjes goed voor mekaar, zo te zien’. Ontvangskamer, eetzaal, gelagzaal, groentenserres, wortelbrouwerij, bakkerij, suites, kamers met ontbijt, het Kasteel Drooghaas maakte indruk op ons. De haasjonkers waren enthousiaste jonge kerels die zonder schroom verder bleven dartelen met de haasjonkvrouwen. ‘Wij brengen jullie naar onze kasteelheer Baron Haas,’ zegden ze. Opa en ik liepen nog langs de kasteelserres als Baron Haas ons al kwam toegesneld met open armen, getrimd ringbaardje, colbertje, fluwelen halflange broek, kniekousen en, verrassend, grote blote poten. ‘Welkom op Kasteel Drooghaas; hier hebben we sinds mensenheugenis, sorry haasheugenis, gewoond. In onze serres verbouwen we penen, oeroude oranje, rode, lichtgele, groene en witte peenrassen die je niet meer vindt in de handel. We sparen het zaad, verkopen, ja verzenden het naar alle liefhebbers van oude peen, waar ook ter wereld. De Wortel is en blijft een sterk product. Geliefd op elk bord. Daarom  ontvangen we hier internationale gasten die aan peenbehoud en peenherwaardering doen. Onze kamers zijn meestal volgeboekt.

Opa Bos kweekte ook wortelen in zijn groententuintje. Baron Haas vroeg geïnteresseerd  naar de soort, kleur, grootte en smaak van Opa’s wortelen. Ondertussen keek ik mijn ogen uit naar de dartelende haasjonkers en haasjonkvrouwen.

Kunnen we hier overnachten?’ vroeg Opa aan Baron Haas. Ik glimlachte en hoopte dat Baron Haas ‘ja’ zou antwoorden.

Ja, de suite op de bovenverdieping van ons kasteel Drooghaas is nog vrij. Ik wens jullie een goede nachtrust, slaapwel!

________________________________________________________________

Mijn vader heeft jarenlang, telkens als het stortregende, ook ’s nachts, klaargestaan met het pikhouweel (zie foto) om het riooldeksel te lichten. Brieven, e-mails, telefoons, aandringen om de blockage in het riool weg te werken, hielpen niet. Tot de zomer van 2018, toen uit camera-inspectie van het riool bleek dat twee kapotte stukken rioolbuis de blockage veroorzaakten en het ‘rioolagentschap’ twee nieuwe  stukken plaatste. Waarvoor dank.  

HOTEL PAPA aan de machtige rivier 

Babel

Ik was cultuurminnaar tot op het moment dat ik over de rand van het artefact leunde, deze foto maakte en in de nasleep van dit feit mijn geloof in de schone kunsten verloor.

Het kunstwerk – een boekentoren – staat in de inkomhal van de nationale Klementinum bibliotheek in Praag. Ik zag een werveling van boekenruggen, titels als een draaikolk, een hemelverheffende spiraal van het vrije woord – dacht ik toen -.

Een uitzonderlijk talent die zo’n boekentoren weet te ontwerpen. De kunstenaar moet een belezen iemand zijn! Wie is het?’ vroeg ik aan de balie. ‘Kent u Metej Kren dan niet, Czech met Slovaakse roots?’ kreeg ik als antwoord. ‘Het spijt me, mevrouw, ik ben toevallige passant en nog te onwetend over de lokale cultuur.’ ‘Het is u vergeven, maar als u zich wil verdiepen in de wondere wereld van de afgevoerde lektuur moet u in Babel zijn over de Czechische grens in Slovakije.

En omdat reizen mijn nieuwsgierigheid aanwakkert, trok ik devolgende dag met de trein de grens over. ’Boeken omzetten in kunst, ik wou dat ik dit zelf had bedacht’ peinsde ik jaloers.

Ik wandelde het station uit en vermoedde dat het groepje Aziaten – zakenmensen, zo bleek later – naast een glimmend witte elektrische Mercedesbus met “Babel” in zwarte letters op de flank  dezelfde bestemming had. Ik, rugzak op mijn rug, sloot me gewillig aan en torende uit boven het groepje. Een eveneens rijzige man die zijn charme nog aandikte met een extraverte hangsnor wenkte mij. ‘U daar, trotter, toeristen zijn ook welkom!’ zei de man. ‘Klopt, ik ben toerist maar ik ben ook cultuurminnaar,’ antwoordde ik verongelijkt. ‘Wat dan ook, stap in, er is nog plaats achteraan in de bus!

De bus zat aardig vol. Ik liep door het gangpad en knikte vriendelijk naar mijn medereizigers. ‘Ook toerist?’ vroeg ik halfweg. ‘Neen, Alvin is mijn naam  en ik ben curator voor een tentoonstelling moderne kunst in Washington DC.’ ‘Mooi, ook een cultuurminnaar’ en ik glimlachte begripvol terug. Ik liep door naar een vrije plek op de achterbank naast twee leuke dames in druk gesprek. Ze spraken Russisch. Beetje bij beetje kon ik uit hun gesprek opmaken dat de beide dames op verkenning waren gestuurd door hun chef in Moskou. Innovaties in design en interieur was hun ding. ‘Komen jullie ook met de trein van Praag,’ vroeg ik? ‘Neen, van het vliegveld van Wenen, de bus is ons daar vanmorgen komen oppikken.‘ Nog interessanter werd het toen een Zuidamerikaan op de bank voor mij er ongevraagd aan toe voegde dat hij het welcome-diner gisteren in Wenen super vond, maar toch uitkeek naar het echte werk.  

Mijn naam is Victor Lukáĉ, zei de extraverte snor, microfoon losjes in de hand,  ik ben uw gids vandaag. In mijn vorig leven was ik eerste lid van de communistische partij, burgemeester met een waardeloos salaris maar – knipogend eraan toevoegend – mét een Wartburg als bonusVroeger heette Babel Bilciĉ. Ah, Bilciĉ was unheimlich onder de communisten, niets te beleven. Na 89, toen de tijden keerden, paste de naam Babel beter in ons businessmodel. Babel is het nieuwe cool, daar moet ik u niet méér van overtuigen. Welkom!’

Een portaal van boeken rees voor ons op. Het was de toegangspoort tot Babel. ‘We rijden eerst een rondje door ons boekenpark en daarna kunnen jullie de artefacten zelf verkennen,’ zei onze gids.  

Bij onze eerste stop herkende ik dezelfde boekentoren die ook in de bib van Praag staat. ‘Dit is ons basismodel, spiegels bovenaan en onderaan, stabiel van structuur, geschikt voor elke binnenruimte. Water – en schimmelproof, kan dus ook uw tuin of binnenhof sieren.’

Elk boek is bewerkt en doordrenkt met onze niet – ontvlambare ultra cellulose isolatieve biovernis, een product waarop wij nu het octrooi hebben. Het behoedt onze objecten duurzaam in lengte der tijden voor welke schimmel of verderf dan ook. Hoge warmte-isolatie gegarandeerd. Alle technische details krijgt u later. En oh, ook dit nog: het aantal verwerkte boeken in onze Babelpark benadert de twintigduizend kuub.’

Dames en heren, laat uw verbeelding de vrije loop, imagination! Het boek is passé; de boeksteen is de toekomst. Imagination!!!’

Even verder stond een robuustere versie van het basismodel boekentoren, een twintig meter hoge donjon met ingewerkte trap. ‘Onze architect- bouwers, onze internationale designers, zij zijn meesters in het spel van vorm en kleur. De volgende artefact is onze Dôme – u ziet hier naast mekaar de kleine versie, de babeliglo, en de grote babeldôme, geschikt voor optredens, debat en coctailpartys. Capaciteit kan per type Dôme variëren van 30 tot 300 man max.

Onze ervaren gids deelde een catalogus rond en becommentarieerde uitgebreid de waaier aan objecten links en rechts van de piste. ‘Voor elk type artefact hebben we het geschiktste boekengenre geselecteerd: thrillers voor onze doolhofversies; spirituele lectuur in onze meditatieve ruimtes, geschiedenis in onze donjons en burchten, in onze arenas de politieke biografieën, voor onze gloriëttes en priëlen kozen we liefdesromans, avonturenverhalen in onze boekblokhutten en andere fictie in onze wervelende boekentorens – zoals u weet, Babel’s succesproduct -.’

‘Uw verblijf is ingepland  in onze boekensuites aan de rand van het park. Alleen voor reservaties uiteraard,’ en toen keek hij uitdrukkelijk in mijn richting. Ik had het begrepen. Geen suite voor mij vannacht; ik had immers geen uitnodiging.

We stapten uit de bus en kregen ruim de tijd voor verkenning. Ik trok op met Alvin, de museumcurator uit Washington. ‘Het papieren boek is overbodig geworden, vertrouwde hij me toeDit hier is de nieuwe library en hij woog een microchip op de top van zijn wijsvinger. Hij bevat de ganse bibliotheek van Baltimore. Weet u, Babel AG voelt de tijdsgeest verdomd goed aan; het verwerkt, zeg maar, vreet bibliotheken, koopt ze allemaal op. Het bedrijf is gepatenteerd marktleider in de branche. Let op mijn woorden: Babel wordt het nieuwe Ikea van het boekenbedrijf. 

Alvin en ik wandelden verder doorheen de demo – boekentorens op de Babel site. De eerste, “De Arena”, was gemetseld met bibliografieën en monografieën van bekende politici. Winston Churchill speechte er. “Het doolhof” was opgebouwd met uitsluitend thrillers en detectives met Agatha Christie, Nicci French, Simenon en Stephen King  prominent aanwezig.  Iemand las er voor uit de ‘Murder on the Oriënt Express‘. Bijbel, Koran en Tora werden afwisselend  geciteerd in de religietoren. Tsjechov – mijn favoriete schrijver – zag ik geplet tussen Hemingway, Zola, Dostojewski  en Shakespeare in de “Dome Classic”.

Toen zagen we dat de Aziatische delegatie – de Chinezen – werd afgeleid naar de kantoren van Babel AG. ‘Ze zijn ons een stap vóór, zei Alvin, de Amerikaan, ik heb geen mandaat gekregen  van mijn bazen, zij wél. Peking wordt de grootste aandeelhouder van Babel. Zij hebben ooit de Chinese muur gebouwd, niet? 

O verbazing! Toen ik terug thuis met Maria ging lunchen in de cafetaria van de bib Tweebronnen in Leuven, stond op de binnenplaats het basismodel boekentoren opgesteld. ‘Mijnheer, dit is onze laatste aanwinst van de hier vooralsnog onbekende kunstenaar Metej Kren uit Tsjechië. Museum M heeft de aankoop met Babel AG weten te bezegelen. Hoe de kunstenaar beeldende kunst met woordkunst heeft weten te verbinden, schitterend toch!’ zei de onwetende jongeman met getrimd baardje en nauwsluitend design hemd die de opdracht had bezoekers te instrueren over het kunstwerk.

Jazeker jongeman, elk boek heeft zijn verhaal’, antwoordde ik gelaten. Grand museum Leuven! Ik stak mijn cultuurbarbaarse kop opnieuw in de toren en maakte deze foto:

Ik zuchtte, stak de straat over en ging voor koffie in café De Commerce

HOTEL PAPA aan de machtige rivier

De korte keten

Still_01_1365_768_80-940x480

Asperges in geklaarde boter met gestampte gekookte eitjes, zout, nootmuskaat, peper uiteraard én krulpeterselie ingeplet.’ Deze lekkere conversatie beluisterde ik ongewild terwijl ik in het gangpad aan het rek met Italiaanse pastasauzen van Jamie Oliver stond te twijfelen tussen arrabiatta en puttanesca. Ik zette een stapje dichterbij en merkte dat het gesprek tussen de twee dames in woeliger kookwater terecht kwam, zelfs overkookte. ‘Godbetert, hier asperges kopen? Ingevoerd uit Peru zeker, waar ze niet eens asperges lusten? * Neen, dank u, geef mij de korte keten, streekproducten!’   

Simona Bioviva, één van de twee dames, sliep drie nachten slecht. Zij besloot het dispuut in de kiem te smoren op de vergadering van haar lokale biomarkt. ‘Onze biomissie getrouw moeten we voortaan méér gezonde streekproducten promoten, zo opende zij haar betoog, bijvoorbeeld de asperge, ooit het koninginnenstuk van onze Werchterse zandgrond, nu zeldzaam.’ 

Bakker Brodsky somde vervolgens op welke standhouders op de biomarkt producten van de lange keten durfden aan te bieden: kaas uit het verre Limburg,  versgroenten uit Wallonia,  ecohemdjes van Roemenia,  olijfolie extra vierge uit de laars van Italia, fairtrade van coöperatieve telers uit vreemde landen, Franse biowijn, quinoa uit de hoogten van de Andes, – misschien zelfs uit Peru – . ‘Enfin, we verwaarlozen de lokale producent.’ Zo luidde de conclusie unaniem. ‘Zal ik eens biocompost proberen? opperde tuinier Mulch nog schuchter, ik maak er een propere stand van!’

Beste mevrouw Simona, zei ik toen ik haar later onder vier ogen kon treffen in het fruitig gangpad bij de mango’s, bananen en appelsienen, avocado’s, passievruchten, Nieuw-Zeelandse kiwi’s, Gala en Jazz appelen, ik zal jou uit de nood helpen. Hou plek vrij op jouw biomarkt voor nieuwe lokale standhouders.

Het is de eerste vrijdag van de maand, vaste dag voor de biomarkt. Alle standhouders doen hun ding, tafels en bakken aanslepen, puffen, uitstallen, praatje maken, biowijntje voorproeven, T-shirtje recht trekken, de gebruikelijke dingen. Bakker Brodsky helpt tuinier Mulch met het aanslepen van 3 kuub biocompost en 1 kuub mulch in propere zakken. Ik hou zelf 7 meter standruimte vrij voor de beloofde nieuwkomers.

Een grote marktkraamwagen komt de smalle straat binnen gereden en parkeert vóór de poort van de biomarkt. De chauffeur stapt uit en klapt de luiken open. Bling bling jonge mensen springen uit de laadruimte en lopen de eerste bezoekers van de markt lachend tegemoet. In katoenen tassen verdelen zij – vrijuit te kiezen – volle, halfvolle, magere, smeuige, lokale Griekse, Turkse, Bulgaarse activia of vitalinea potjes die voorzien zijn van een rijk gevariëerd assortiment aan citroen, perzik, kokos, pistache, kiwi, bosbes, vijg, appelsien,framboos, karamel, exotic fruitmix, 5notenmix, 7granenmix. ‘Mevrouw Bioviva, Danone is veruit het sterkste streekbedrijf in Rotselaar. Onze missie is lokaal gezonde producten aanbieden overal waar men onze yoghurt zou kunnen lusten. Alles mét respect voor planeet en mens én in duurzame verstandhouding met gecertificeerde melkveeboeren uit eigen streek.

‘Een coöperatieve non profit zuivelfactorij? vraagt Simona Bioviva nog. De praatjesmaker heeft zich al omgedraaid en wenkt een tweede marktwagen het straatje in.

Ons product  is het zwartste drankje dat er op de markt te krijgen is, ginds geteeld en geoogst, maar hier gebrand en verpakt, zéér sterk streekbedrijf in Rotselaar. Wij verdelen een fruitig, krachtig of mild gamma aan bonen en gruis uit Guatemala,Papua, Nieuw Guinea, India, Congo Kivu, Peru, Brazil Santos, Nicaragua of in een mix, een fractie hiervan mét Fair Trade certificaat. Ons product beschimmelt niet, wat niet kan gezegd worden van het product van mijn Danone collega hier. Mevrouw Bioviva, onze missie is vertroosting aanbieden aan de mens en … euh aan de planeet.’ Zijn zwarte medewerkster deelt ondertussen proevertjes JAVA koffie rond en verwijst de ware liefhebber naar de uitgeklapte toog waar voor 3 euro onder meer de Papua Nieuw Guinea milde of sterke mix mét koekje wordt aangeboden.

‘Ook een  coöperatieve non profit familiefactorij, zeker?’ 

Simona is woest.’Joozéffff, vent toch, ik haat u, agro – industrieel eerste klas !!!’ Ik glimlach … groen.

Volk, steeds meer volk komt toe. De zaal is te klein. Die vrijdag zijn alle standhouders uitverkocht, behalve de compoststand.

Sinds die dag is de biomarkt in handen van Danone Management en wordt er JAVA koffie geserveerd én – in het seizoen –  asperges à la Flamande.

————————————————————————————————–

* Asparragos is een documentaire van Laura Zuallaert. De foto bovenaan het verhaal is een beeld uit deze docu.
Aan de kuststreek in het Noorden van Peru leeft een ongewone landbouwtak op, de aspergeteelt. Gletsjerwater wordt afgeleid van bergriviertjes om de kurkdroge woestijngrond van Trujillo te irrigeren zodat de asperges er kunnen groeien. Peruanen zelf zijn niet dol op asperges en de oogst wordt bijna uitsluitend geëxporteerd naar rijkere landen in het Noorden.
Hotel Papa aan de Machtige Rivier