Aischa

Ah, Aischa! Hoe naarstig toch werkte zij aan haar eerste roman! De minister van Transport had Aischa geposteerd in een zijkamertje van zijn kabinet. Van staatszaken moest zij zich ver weg houden en liefst ook van alle andere vlijtige kabinetsmedewerkers.

Aischa’s boek ontspon zich rond het thema van de eeuwig durende bloedvetes in het bloedmooie stadje Peja met de omringende vier adembenemende bergkammen die welke slechte gedachte dan ook onmiddellijk doen verdampen. Ook vertakte haar verhaallijn zich tot over de grens van het landje tot in het inmiddels vrediger [noot: fietsrijke] Shkodra.

Nu gebeurde het dat de minister bij tijd en wijle een buitenlandse mogendheid bezocht om voorzieningen te sprokkelen voor staatszaken in Transport. Tussen twee hoofdstukken in gaf dit Aischa de kans om haar landje comfortabel rond te toeren op zoek naar achtergronden om haar thematiek verder uit te diepen. Het was mij een hele eer toen ze me vroeg haar op deze zoektocht te vergezellen. Vóór zijn vertrek instrueerde de minister nog mijn vertaler om mijn tot dusver onwennige communicatie met Aischa in die vreemde taal op punten en komma’s te controleren. Maar mijn vertaler werd lui zodra de minister op ronde was en bleef dan liever thuis.

Aischa en ik bezochten Donjon torens – daar “Kula”genoemd – waar ooit clanslachtoffers van bloedvetes zich mogelijks schuil hadden gehouden. We voerden warme gesprekken op terrassen in de buurt van politiekantoren en picknickten langs vervaarlijke bergrivieren waar vermeende daders de oversteek hadden gemaakt. We waagden het zelfs om de grens over te steken naar het roversnest Bajram Curri, de toegangspoort tot het paradijselijke Valbona, de vallei van de barmhartigheid. Helaas kreeg ik toen een telefoontje  van mijn hoofdkwartier om onverwijld mijn missie te onderbreken. ‘Aischa, kind, de plicht roept’, zei ik, maar we komen weder.’

Het was mijn vergetelheid! Op de dag van zijn terugkeer naar zijn thuisland, zou de minister nog een nieuwe weg inhuldigen. In mijn agenda had ik verkeerdelijk “Aischa” genoteerd. In allerijl riep ik Rama, Reza, Xhevdeti, Xhevat en Edilah op tot actie en verzocht om kussentje, lint, schaar en staatsauto. Aischa sloeg haar laptop open en bleef wijselijk achter.

Het was een mooie vooravond toen ons gezelschap arriveerde op het brandschone wegdek. Mijn baas stond er mij misnoegd maar opgelucht op te wachten. Reza en Xhevdeti spanden het lint strak zodat de geplogenheden een aanvang konden nemen. Hoe mooi toch waren die woorden! Zij droegen bij tot het duurzaam herstel van het wegdek dat eerder door rollend militair materieel in de vernieling was gereden. Ik nam deze foto:

IMG_20181012_100459

Mijn dagen waren nu geteld. In de eigen landstaal had mijn vertaler de minister gebriefd over de punten en komma’s van mijn missie met Aischa. Ik hoopte op respijt, zocht nog heil in de adembenemende diepe Rugova canyon en op de flanken van het Montenegrijns grenshoogland. Helaas, ik moest voortaan  bloedwraak vrezen.

De koerier belde thuis aan en overhandigde me het kartonnen doosje. Aischa had aan mij gedacht met een helrode kaft en de onheilspellende naam “Plage e mallit”: haar roman waarin ik de ‘bad guy’ speel, notabene in een hoofdrol.

Dit vermaledijde boek heeft mijn lot voor eeuwig bezegeld.

HOTEL PAPA aan de Machtige Rivier

Over het riooldeksel dat de lucht in vloog, de beekadmiraal, superMieMot en de haasbaron

De riolen zwollen op. Als een donkere beek in een hellebos viel de regen over boomkruinen, over straatlantaarns, over lege straten. De riolen verslikten zich. Gerommel ondergronds, iets wou ontsnappen. Het ding woelde, rochelde in de rioolkoker. Het gietijzeren riooldeksel lichtte nog even op tot het ding zijn rug rechtte en het zware deksel de lucht in spuwde wel 5 meter hoog. Het water spoot nog hoger, 10 meter. De reuzeaardworm glibberde het riool uit, de straat over, het Natland terug in.

Opa Bos en Flo stonden die hellenacht met open mond achter het raam toe te kijken.

Niemand geloofde ons. De burgemeester niet, de rioolagent niet, de buren niet. We schreven brieven, mailden, we telefoneerden.
Een reuzeaardworm in het riool van ons
dorp? Kom, kom, dat is toch te gek voor
woorden! Wie gelooft er nu nog een 93-jarige en zijn zoon, die fantast?  

[Opa Bos toont op de foto het riooldeksel dat die onweersnacht de lucht in vloog toen de reuzeaardworm ontsnapte uit het riool.]

Maar denk niet dat dit nu einde story is; het verhaal komt nu pas goed op dreef!   Flo en zijn Opa konden maanden later hun nieuwsgierigheid – noodzakelijk voor elk avontuur – niet langer bedwingen.

En dát verhaal zal Flo nu vertellen.

De reuzeaardworm had zich niet meer vertoond. Maar, en dat wisten wij zeker, zo’n lange harige aardreus moest zich ergens verschuilen. Waar konden we onze zoektocht beter starten dan in het riool zelf dat er in de hete zomer van 2018 kurkdroog bij lag? Opa Bos en ik kropen dus het riool in op verkenning.

De rioolkever die we er als eerste ontmoetten snakte naar water. Hij sméékte ons om water. Opa had een flesje koel bruis meegenomen omdat hij vermoedde dat het wel eens een lange dag kon worden onder de grond. Hij haalde het flesje boven, gaf het aan de rioolkever die zonder blikken of blozen, – ongemanierd eigenlijk – het hele flesje in één teug uitdronk. Zijn oogjes in zijn kleine keverkop op zijn paars fluorescerend schild leefden op. Hij was Opa dankbaar.’Merçi, merçi, dorstigen laven is een schone deugd. Drinken in deze riool is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Voor vers water moet ik steeds een hele weg afleggen naar Natland, vertelt de rioolkever, en daar in Natland waakt de Beekadmiraal als een tiran over zijn voorraad water. De Beekadmiraal is, op zijn zachtst gezegd, niet de vriendelijkste hier. Kevers moeten hoge tol betalen om zijn burcht binnen te komen. Als je weigert tol te betalen, kom je niet aan vers water!

Kom we kruipen verder naar Natland, want nu jij ons flesje bruis hebt leeggedronken, zullen wij opnieuw drank moeten zoeken, zegt Opa. Kever, wijs ons de weg!’ De rioolkever stak nog meer lichtjes aan op zijn gewei, op zijn voelsprieten en op zijn rug. Dat hielp, in de verlichte tunnel trokken we verder.

In het riool kwamen we een aarden afslag tegen en begrepen nu waarom het riool zo verstopt kon geraken. De afslag was ook de wc van de reuzeaardworm; half vers, half compost. Het stonk er naar kak van schepsels die nooit het zonlicht zien. Mestkevers, torren en pieren woelden in de dampende hoop. Vriendelijk begroetten zij  de veel grotere rioolkever. We wrongen ons, de rioolkever op kop, langsheen de stinkende verstopping en legden nog 100 meter af door de droge aarden gang.

Aan een nieuwe afslag in dezefde gang lag de reuzeaardworm in een grot van 3 meter lang , 1,5 meter breed en 80 cm hoog opgerold te snurken.

Kan hij vervelend doen als hij wakker wordt?’ vroeg ik aan de rioolkever. ‘Neen, de reuzeaardworm  ziet er schrikwekkend uit en, toegegeven, hij is oersterk – een fel gespierde kerel – maar wij kevers zijn blij dat hij er is. Hij beschermt ons tegen de tirannie van de Beekadmiraal. In geval van nood, bijvoorbeeld tijdens hete zomers zoals deze, helpt de reuzeaardworm ons om aan water te geraken. Hij trekt er dan op uit, opent het riooldeksel op straat, zoekt waterputten op bij mensen, zuigt zich  vol met water en keert met een watervoorraad terug waarvoor we geen tol hoeven te betalen. Goeie kerel, onze aardworm. De beekadmiraal ziet dat niet graag gebeuren, maar hij houdt de reuzeaardworm toch liever te vriend. Dat is te begrijpen, het is zo’n groot sterk beest.’

Kom, we gaan kijken of de beekgarnalen ons binnenlaten,’ zei de rioolkever en hij sluisde ons verder langsheen de snurkende reuzeaardworm die één oog opendeed maar algauw weer goedmoedig sloot. Nu voelden we dat de aarde vochtiger werd en we zagen een onderwaterbeekburcht opdoemen.

‘Wij willen de Beekadmiraal spreken, misschien een glaasje water drinken en een voorraadje drank inslaan’ zei de rioolkever aan de beekgarnalen die de burcht bewaken. ‘Eerst betalen, dan drinken’, antwoordden de wachters die met de scharen van hun voorpoten kletterden tegen hun harnas en ondertussen met hun voelsprieten onze zakken aftastten naar geld. ‘Betalen, cash in harde valuta, geen krediet’, de beekgarnalen hadden duidelijke bevelen en weinig geduld met bezoekers.

Ook de beekgarnalen hadden dorst en verlangden naar fris water. En omdat ze zo’n grote dorst hadden waren ze nerveus en gevoelig voor elk verkeerd woord. Opa Bos besefte dit en maande mij aan tot zwijgen. Hij vroeg de beekgarnalen vriendelijk om hun sprieten thuis te laten en hij toverde een zakje tevoorschijn dat om zijn hals hing. ‘Ik betaal in harde munt als jullie ons tot bij de Beekadmiraal brengen,’ zegt Opa en hij rammelde met de munten in het zakje in zijn hand. ‘Als jullie maar betalen aan de Beekadmiraal; wij mogen onze post niet verlaten, zei één van de beekgarnalen die een dikker harnas droeg dan de anderen. De beekpaardjes zullen u begeleiden naar de Beekadmiraal. Daar komen ze!’

Terwijl de beekgarnalen onbeleefd, ja onbeschoft, waren tegen ons, waren de beekpaardjes vriendelijk, zelfs verleidelijk. ‘Kom mee, we brengen jullie naar onze Beekadmiraal,’ knipoogden ze. Onze vriend de rioolkever voelde zich niet op zijn gemak en maande ons aan om waakzaam te blijven.

Onverhoeds doken de Modderpad, de Wortelvreter en de Schaartor op en met z’n drieën duwden ze ons brutaal op de grond. Opa kneusde zijn rib en ik voelde een buil op mijn kop opbollen. Protesteren konden we niet, want de Modderpad had ons al vast bij de schouders met zijn beide modderige modderpoten; de tandeloze Wortelvreter pakte ons beet bij de voeten en de nagelscherpe Schaartor leidde ons onzalig groepje weg langs de druipende muren van de waterburcht. Modderpad spuwde nog gelig slijm dat aan mijn mouwen bleef kleven en Wortelvreter vrat aan de broekpijpen van Opa. Schaartor schalde scherp dat er een eind moest komen aan dat geslijm en gevreet. Wij werden hardhandig voor de voeten van de Beekadmiraal gesleurd. ‘Eindelijk! Wat moet dat, mijn domein betreden zonder visum. Jullie hebben een achterbaks plan en dat bevalt mij niet! Spreek op! Welk is jullie geheime opdracht, onverlaten, crapuul!’

Opa Bos gebaarde dat hij het woord wou nemen. ‘Ik ben de oudste van het dorp, ouder dan ik is hier niemand in Natland, ik heb recht van spreken. Ik heb dit bos zien groeien, eerst weiland daarna moeras, dan weer populierenbos, rooien en woelen, vijvers graven en vervuilde beken proper maken, wandelpaden trekken en bomen vellen, infoborden plaatsen en bevers loslaten…..dat allemaal heb ik hier zien gebeuren. Zonder mij, zou de burgemeester een waterpretpark van dit Natland gemaakt hebben en Mister Barnes van Droogland een festivalweide zoals in Werchter. Dat zou hier geschied zijn, zonder mij….ik die ouder ben dan U, bijna honderd jaar, mijnheer de  Beekadmiraal. Dit is de waarheid, de volledige waarheid.

De Beekadmiraal werd warempel stil op zijn admiraalstroon; verschool zich even achter zijn admiraalspet; dacht diep na en zei: ‘Opa Bos, mijn respect, zonder u zou Natland drooggelegd zijn en Populierenland zijn geworden. Mijn waterburcht heb ik kunnen bouwen dankzij U. Ik bied jullie vrije doorgang naar Droogland – zonder tol – en jullie krijgen van mij drank mee zoveel als jullie kunnen dragen.’

De rioolkever kon nu vrij terugkeren naar huis. Opa Bos en ik haalden opgelucht adem, al werd de buil op mijn kop almaar dikker en voelde Opa zijn gekneusde rib knagen. ‘Terugkeren? Geen sprake van,’ we knikten naar mekaar  en zouden – nieuwsgieriger nog – die nieuwe wereld onder Natland en  Droogland verder verkennen.

Modderpad, Wortelvreter en Schaartor, die nu diep voorover bogen voor ons -de nieuwe vrienden van hun baas de Beekadmiraal – boden ons aan om ons te begeleiden langs de aarden gang naar Droogland. Het werd er almaar droger. Na 100 meter werd het voor Modderpad, Wortelvreter en Schaartor té droog en keerden ze zuchtend en grollend terug naar Waterland met in hun spoor gele slijm, nat gekauwde wortels en stuk geknipte lisdodden. ‘Blij dat we die rare jongens kwijt zijn!’ zuchtte Opa Bos.

We struikelden verder door de tunnel tot waar een lichtstraal door de droge bovenwand een kloof van 3 meter lang, 2 meter hoog en 1,50 meter breed onthulde. Een warrige wolk van nachtvlinders dimde het invallend licht. Op een verhoogje zagen we een wezen languit liggen met harige vleugels gedrapeerd over een stoffige sofa. ‘Welkom, zei een vrouwenstem, ik ben SuperMieMot, ik leef onderaards in mijn mottenpaleis waar voldoende licht binnenvalt. Wasmotten, fruitmotten, kleermotten, koolmotten en meelmotten brengen mij alles wat ik nodig heb. Maar vooral parfum! Vooral parfum! Als jullie parfum meegebracht hebben geef ik jullie doorgang. …zo niet roep ik de gifmotten en staat jullie een verschrikkelijke dood te wachten.

Opa haalde uit zijn binnenzak een witte tube zonder etiket. Ik besefte onmiddellijk dat dit zalf was van apotheker De Pelicijn; de zalf gemaakt van haar geheim recept tegen jeuk van muggen en dazen. Ik zweeg maar dacht ‘Opa, deze zalf is toch geen parfum.’ Maar Opa gebaarde opnieuw dat hij het woord wou nemen. ‘Ik ben de oudste van het dorp, ouder dan ik is hier niemand in Droogland , ik heb recht van spreken. Ik weet dat het mottengild gegeseld wordt door vileine steken van muggen en dazen. In dit bos heb ik ze weten toestromen met duizenden tegelijk. Muggen en dazen berokkenen U, SuperMieMot, ellendige jeuk en overbodig gekrab. Deze zalf tegen de jeuk is beter dan welk ander mottenparfum, van welk befaamd merk dan ook. Ik adviseer U om deze zalf te proberen.’ SuperMieMot hoopte inderdaad verlost te worden van de gesel van de jeuk. Zij tastte  – eerst aarzelend – met haar beide antennes de tube af, schroefde de dop los met vinnige pootjes, rook aan de zalf, lachte en smeerde dan de ganse tube uit over haar beide vleugels.

De jeuk stopte wonderwel na enkele minuten. ‘Inderdaad Opa Bos, het is dan wel geen parfum Dior # 5, maar deze zalf is een zegen voor ons Motten. Ga terug naar apotheker De Pelicijn en ontfutsel haar het geheim recept. Met dat recept laat ik dan mijn apotheker mijn eigen wonderzalf bereiden in vaten van 50 liter.’ 

Opa wist dat hij het geheim recept van apotheker De Pelicijn niet kon krijgen, maar gelet op de benarde situatie waarin we weer verzeild waren geraakt, meende hij dat een leugentje om bestwil nu op zijn plaats was. Hij beloofde SuperMieMot dat hij het recept eerstdaags zou retourneren per koerier. SuperMieMot besefte dat zij op Opa Bos moest vertrouwen en zij deed met haar ringvinger teken dat Flo en Opa Bos mochten vertrekken. In een wolk van harige motten werden we begeleid naar de toegang van het onderaards kasteel van Baron Haas, honderd meter verderop onder Droogland.

Jullie wonen hier mooi en droog, zo sprak ik het groepje haasjonkers en haasjonkvrouwen dat op ons afkwam toe. Die Haasbaron van jullie heeft zijn zaakjes goed voor mekaar, zo te zien’. Ontvangskamer, eetzaal, gelagzaal, groentenserres, wortelbrouwerij, bakkerij, suites, kamers met ontbijt, het Kasteel Drooghaas maakte indruk op ons. De haasjonkers waren enthousiaste jonge kerels die zonder schroom verder bleven dartelen met de haasjonkvrouwen. ‘Wij brengen jullie naar onze kasteelheer Baron Haas,’ zegden ze. Opa en ik liepen nog langs de kasteelserres als Baron Haas ons al kwam toegesneld met open armen, getrimd ringbaardje, colbertje, fluwelen halflange broek, kniekousen en, verrassend, grote blote poten. ‘Welkom op Kasteel Drooghaas; hier hebben we sinds mensenheugenis, sorry haasheugenis, gewoond. In onze serres verbouwen we penen, oeroude oranje, rode, lichtgele, groene en witte peenrassen die je niet meer vindt in de handel. We sparen het zaad, verkopen, ja verzenden het naar alle liefhebbers van oude peen, waar ook ter wereld. De Wortel is en blijft een sterk product. Geliefd op elk bord. Daarom  ontvangen we hier internationale gasten die aan peenbehoud en peenherwaardering doen. Onze kamers zijn meestal volgeboekt.

Opa Bos kweekte ook wortelen in zijn groententuintje. Baron Haas vroeg geïnteresseerd  naar de soort, kleur, grootte en smaak van Opa’s wortelen. Ondertussen keek ik mijn ogen uit naar de dartelende haasjonkers en haasjonkvrouwen.

Kunnen we hier overnachten?’ vroeg Opa aan Baron Haas. Ik glimlachte en hoopte dat Baron Haas ‘ja’ zou antwoorden.

Ja, de suite op de bovenverdieping van ons kasteel Drooghaas is nog vrij. Ik wens jullie een goede nachtrust, slaapwel!

________________________________________________________________

Mijn vader heeft jarenlang, telkens als het stortregende, ook ’s nachts, klaargestaan met het pikhouweel (zie foto) om het riooldeksel te lichten. Brieven, e-mails, telefoons, aandringen om de blockage in het riool weg te werken, hielpen niet. Tot de zomer van 2018, toen uit camera-inspectie van het riool bleek dat twee kapotte stukken rioolbuis de blockage veroorzaakten en het ‘rioolagentschap’ twee nieuwe  stukken plaatste. Waarvoor dank.  

HOTEL PAPA aan de machtige rivier 

De Peddelkampioen

peddel2

Ari peddelde van kindsbeen af. Hij peddelde lucht en zand en, als er wind was, ook wind. De peddel was zijn speelgoed. Hij had het gevonden tussen kleren en spullen van hulporganisaties. Maar Ari leefde in een droog land waar er aan water een gebrek is en waar een peddel ongekend is.

Toen hij tien werd besliste hij peddelkampioen te worden. Dus bleef hij oefenen met zwaardere lucht, natter zand en hardere tegenwind. Iedereen vond Ari de beste; hij zou kampioen peddelen worden.

Toen hij zestien werd nam Ari de beslissing die zijn leven veranderde. Hij schreef een brief aan Yussuf, de vluchteling en nieuwkomer die sinds de oorlog leefde in het dorp aan de Machtige Rivier en er leerjongen was van bakker Brodsky. Ari kende Yussuf; in Syrië waren ze buren.

Beste Yussuf,

Je weet zeker nog hoe ik de buurjongens kon blij maken met mijn geslinger en gezwaai en met hoge worpen met mijn peddel.
Ik ben blijven oefenen met lucht, zand en wind.
En nu wil ik gaan oefenen met water.
Kan ik bij jou komen oefenen op water?

Jouw buur en vriend, Ari

Yussuf schreef onmiddellijk terug dat Ari welkom was bij hem en dat hij in het dorp naar bakker Brodsky moest vragen.

Ari pakte zijn rugzak in met verse kleren, sjorde er een tentje en slaapzak aan vast en vertrok. Hij zette zijn handen breed op de peddel; voelde dat zijn spieren hem aanporden. Soepel duwde Ari zich op de grond af en vinnig zette hij de trekslag in.

Zo kwam hij bij de grens met het water. De man aan de grens zag een peddelende stapper op zich afkomen. Gele bladen van de peddel zwenkten links en rechts rond Ari’s lijf. ‘Hier hebben we zeeën van water, zo diep als honderd peddels, roept de grensman, kom hier oefenen op onze boot. Stap in, wij kunnen goede peddelaars gebruiken om de zee over te steken.’ Ari was de koning te rijk, want nu kon hij niet alleen oefenen in water, er waren ook nog acht andere peddelaars met steekpeddels en nog veertien vrouwen en kinderen aan boord.

De man duwde de kleine boot af, de blauwe zee op. Ari zette zich met zijn dubbelzijdige peddel vooraan op de boeg. Hij was blij dat hij zijn spieren nu kon meten met het water, terwijl dit keer de wind door zijn haren streek en hij het zand achter zich kon laten. Hij gaf het ritme aan en de andere peddelaars volgden zijn cadans. Ari en de peddelaars zongen om het ritme aan te houden en om de vrouwen en kinderen moed in te spreken.

Toen ze aan land kwamen was iedereen uitgeput, ook Ari. Maar hij had de zware test doorstaan, zijn lijf trilde, zijn zoute handen waren open gebarsten  en zijn schouders en nekspieren waren hard als steen. Hij sliep twee dagen en twee nachten, één hand op zijn peddel, één hand op zijn rugzak. Dan stapte hij verder, peddelslag links, peddelslag rechts. En hij merkte hoe zijn armspieren nog waren aangesterkt door de tocht over de zee. Hij zou snel Yussuf vinden.

Telkens hij een grens naderde gebeurde het dat grensmannen lachten: ‘Hé, daar, gaat Eend Kwak naar zijn vijver’. Of ook ‘Lid van de zoetwatermarine zeker?’ En omdat ze deze peddelaar zo grappig en naief vonden, lieten ze hem door. Eén enkele  keer wees een grensman hem de weg naar de nabije Soča rivier omdat hij dacht dat Ari meedeed aan de komende wildwaterwedstrijd.

Zo kwam Ari vroeg in de nacht in het dorp van Yussuf aan. Hij zette zijn tentje op in het bosje van Opa Bos langs de rotonde en rolde zijn slaapzak uit.

Toen begon bij het café De Welkom een waakhond wild te blaffen. Was de hond gewekt toen Ari verderop op zoek was naar een geschikte plek voor zijn  tentje? De Cafébaas vond het aanhoudende blaffen verdacht en vroeg de nachtwacht om poolshoogte te komen nemen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is image-11.png

Met hun zoekende zaklampen stootten zij op het tentje van Ari.

Man, morgenavond willen we jou hier niet meer zien, zei de nachtwacht, trek morgen weg en ga verderop naar de andere gemeente! De wet bepaalt  dat je hier niet langer dan 1 nacht én 1 dag  mag blijven. Doe je dat wel, dan pakken we jou op en moet je terug vanwaar je gekomen bent. Wij hebben jou dit niet gezegd, begrepen?

Ari wist dat Yussuf als leerjongen bij Brodsky werkte. Hij moest dus die volgende ochtend bakkerij Brodsky koste wat kost vinden. Brodsky! Brodsky!’ riep Ari al peddelend door het dorp. ‘Brodsky! Yussuf!’

Tientallen pendelaars – chauffeurs, fietsers – passeerden Ari die ochtend op weg naar hun werk. De postbode was té gehaast om Ari te helpen. Scholieren tikten mekaar aan als ze haveloze Ari zagen en reden een eindje om. Hij vreesde dat de politie hem opnieuw zou vinden.

Toen stopte Santa Mamia naast Ari. Ze stapte van haar fiets, gebaarde hem dichterbij te komen en vroeg ‘Help you need?’ ‘Madam, would you please be so kind to show me the way to bakery Brodsky.’ Ari had dit beleefd zinnetje wel duizend keer ingeoefend. En, eindelijk – eindelijk – kon hij het gebruiken… met succes. ‘You come mee!’ gebaarde Santa Mamia vermoedend naar wie Ari op zoek was. ‘Ik geef taalles aan jongeman Yussuf. Hij woont en werkt bij bakker Brodsky hier om de hoek.

Die morgen werd een heuglijke ochtend. Ari legde zijn peddel neer en omhelsde Yussuf vurig. Ari kwam Arabische woorden tekort en sprak over zijn droom om peddelkampioen te worden, over hoe het er in zijn dorp ginds aan toe ging, over de familie en de buren en over zijn moeilijke tocht hierheen. Yussuf vertelde over zijn nieuw leven hier en zijn werk in de bakkerij om brood te kneden, af te wegen, te bollen en lang te steken, om gebakjes te doreren, te glaceren en te gellen en alles achteraf af te wassen en op te kuisen.

Maar bakker Brodsky besefte dat Ari geen tijd mocht verliezen. Immers Ari moest volgens de wet – 1 nacht , 1 dag – tegen de avond uit het dorp vertrokken zijn.  

Ik weet de oplossing voor jou, zegt bakker Brodsky, jij wil toch peddelkampioen worden, hé Ari? Wel, ik geef jou mijn kajak die hier op de oever van de Machtige Rivier ligt. Elke ochtend steek je met mijn kajak de grens over van onze gemeente en peddel je de ene dag naar de stad rechts en de andere dag naar de stad links, soms stroomopwaarts, soms stroomafwaarts over de Machtige Rivier. Zo oefen je elke dag jouw peddeling en blijf je nooit langer dan één dag in dezelfde gemeente. ’s Avonds keer je telkens terug. ‘

‘Pak jouw peddel, vertrek nu en kom morgen terug!

Ari bedankte Brodsky en Yussuf; omhelsde hen. En vanaf die dag stond Ari’s leven in het teken van één sport op het water: de kajaksport.

Hij peddelde elke dag, elk seizoen, bij felle zon of bij kille wind, op traag stromend water of na felle regen op sneller water. Zijn bewegingen waren zo afwisselend dat hij nu eens kracht trainde dan weer soepelheid, altijd volhouding en soms de korte sprint. Hij was gezegend met een voorbeeldige discipline en een sterke wil.

Zo werd Ari peddelkampioen in dit land en ver daarbuiten.

_______________

Dit verhaal schreef ik nadat buren vertelden over hoe een vluchteling werd opgepakt in onze gemeente en over de gemeentegrens een andere gemeente werd opgeduwd om niet met het ‘probleem’ opgezadeld te zijn.

Hierbij het tentje dat de vluchteling had achter gelaten in het bosje van Opa Bos.

Handleiding over peddelen en de peddelgreep:   

https://www.kayakpaddling.net/nl/2-1

Hotel Papa aan de Machtige Rivier.                                                                                             

Nacht van de Uil

Nacht van de Uil. Doe mee!’ tweette de burgemeester naar Uil Ulla.  

Hier zou het verhaal kunnen eindigen. Of ook  gewoon verder kabbelen vertellend over hoeveel uilen de spotters die nacht geteld hadden of over hoe een spotter in het donker in de beek gesukkeld was of…

Maar de ‘Nacht van de Uil’ verliep helemaal anders. Luister maar.

Uil Ullebak, de zoon van uil Ulla, had ook zo’n bericht van de burgemeester gekregen. ‘Nacht van de Uil? Daar doe ik niet aan mee!’ denkt hij. Ullebak doet graag moeilijk. Dat weet iedereen en jullie weten dat ook.

ULLEBAK

Ullebak zweeft uit zijn boom. Hij landt op de schouder van Flo, kleinzoon van Opa Bos, en zegt: ‘Niet één spotter zal mij vannacht spotten of tellen, ik verstop me vannacht en ik doe overdag moeilijk.’ Flo kijkt verbaasd op: ‘beste Ullebak, dat is een gedurfd plan! Als dat maar goed afloopt.’ Ullebak zweeft al weg en heeft Flo niet eens meer gehoord.

Terwijl Ullebak rondjes maakt boven het bos, kijken nu ook de buizerd, de reiger, de vinken, de mezen en natuurlijk ook de mussen verbaasd op. ‘Een nachtuil die overdag rondvliegt? Het is Ullebak? Nee toch!

Ullebak heeft zijn plannetje al klaar en herleest luidop wat hij op een blaadje genoteerd heeft:

  • Moeilijkdoenerij # 1: Ik vlieg het rusthuis binnen en laat de 100-jarige schrikken.
  • Moeilijkdoenerij # 2: Ik schud de vleermuizen wakker.
  • Moeilijkdoenerij # 3: Ik zwem bloot in De Plas

Ullebak denkt na over de mate van moeilijkdoenerij van elk van de 3 moeilijkdoenerijen en  voegt er nog een vierde aan toe :

  • Moeilijkdoenerij # 4: Ik roep ‘stomme uil’ naar de burgemeester omdat hij die stomme Nacht van de Uil organiseert.

Terwijl Ullebak over de Machtige Rivier zweeft en nog twijfelt welke moeilijkdoenerij hij eerst zou aanpakken, ziet hij Reiger Klep staan vissen aan de Machtige Rivier. ‘Ik ben op weg naar mijn eerste moeilijkdoenerij en heb nog even tijd. Kan ik even meevissen?‘ Reiger Klep is er niet gerust op want dit kan een moeilijkdoenerijstreek opleveren. Maar Klep stemt toch in. ‘Aan de beek heb ik aan mijn lange bek genoeg om te vissen, maar hier in de Machtige Rivier breng ik altijd een hengel mee. Gebruik deze!’ en Klep geeft de hengelstok door aan Ullebak.

Wat dan gebeurt is nauwelijks te geloven. De rode slanke dobber van zijn hengel dobbert rustig op de stroming, wipt dan even op, verdwijnt, wipt terug boven water en blijft daar stil liggen. ‘Opletten nu, zegt Reiger Klep aan Ullebak, die vis heeft honger!

Uilen zijn natuurlijk lichtgewichten die het gewoon zijn te zweven en zij zijn zeker niet ervaren in het vissen met de hengelstok. Misschien is de vis sterker dan de uil?

Dat blijkt ook. De dobber snokt aan de draad van de hengel; trekt de hengel het water in en sleurt Ullebak mee de Machtige Rivier op. Die vis is een snoek.

Als ik u zou vertellen dat de snoek zo groot is dat hij Ullebak opslokt en meeneemt naar verre wateren, dan zou ik liegen. De snoek is weliswaar een reus van een snoek, maar hij is goedaardig ondanks zijn vreeswekkende tanden. Hij slokt Ullebak niet op; maar knapt de draad van de vislijn door die rond een poot van Ullebak is vast komen te zitten en zet hem vriendelijk neer aan de andere kant van de oever.

Ullebak, ik ken u van uw moeilijkdoenerijen. Zand erover, we vergeten dat. Ik breng u naar deze kant van de oever waar er een wonderbaarlijke plek is die je moet leren kennen. De snoek wenkt een luchtige libel. ‘Blauwe Libelle zal u de weg tonen.’zegt hij. ‘Kom mee met mijjongeman, zo spreekt Blauwe Libelle vriendelijk tot Ullebak, en Ullebak dwarrelt achter haar aan. Zij komen op een bloemrijke plek bij een wilgenbosje aan een oude meander waar honderden oranje bruin zwart gevlekte en licht blauw afgezoomde vlinders doorheen mekaar vlinderen. ‘Oh, dit spektakel is wonderbaarlijk,’ roept Ullebak verrukt uit. Dit zijn Oostelijke Vosvlinders*, een zeldzaamheid in dit land. Vlindertellers zijn al jaren op zoek naar de Oostelijke Vos.

Ullebak weet wat hem te doen staat. Hij vliegt over de Machtige Rivier terug naar het bos waar hij natuurgids Willig vindt: ‘Mijnheer Willig, mijnheer Willig’, de Oostelijke Vosvlinders zijn terug! Ik heb ze gespot en geteld. Het zijn er 1001, ginder aan de andere oever op de plek bij de wilg.’ Willig is achterdochtig want dit is beslist weer een moeilijkdoenerijstreek van Ullebak. ‘Neen, het is geen moeilijkdoenerij, reageert Ullebak, die de gedachte van Willig leest vóór hij ze uitspreekt. Kom mee!’

Willig trommelt zijn natuurvrienden op en ze trekken er samen op uit om te controleren of Ullebak de waarheid spreekt. ‘Ullebak heeft 1001 Oostelijke Vosvlinders geteld!’ Het gezelschap vreest dat het weer een slechte grap – juist, een moeilijkdoenerij  – van Ullebak is. En wat vurig gehoopt, maar niet verwacht werd, geschiedt toch: de Oostelijke Vos is terug. [Luid scanderend] ‘De Oostelijke Vosvlinder is terug!’ [Nog luider] ‘Ullebak heeft de Oostelijke Vosvlinder gespot!!

Die dag werd Uil Ullebak uitgeroepen tot ‘Uil van de Dag’. De Natuurvrienden eerden hem om zijn durf, ondernemingszin en scherp oog. Zij roemden hem als een uitzonderlijke spotter en snelle teller. Fier legt Willig Ullebak een medaille om de hals waarop staat:

UIL VAN DE DAG

Vinder van de zeldzame Oostelijke Vosvlinder

Is het verhaal ‘Nacht van de Uil ‘ hiermee afgesloten? Werden er die nacht nog uilen geteld, zoals de burgemeester gevraagd had?

Ook dit is bijzonder wat er die nacht gebeurde.

Uil Ulla, de moeder van Ullebak, wou uiteraard meedoen aan de uilentellerij op de ‘Nacht van de Uil’. ‘Geef mij een klembord, zegt ze, ik posteer mij vannacht op een uitkijk, ik tel elke uil die passeert en ik noteer nauwgezet mijn waarnemingen, volgens het reglement ‘1 uil, 1 streepje.’

Het spijt me zeer, mevrouw Ulla, zei de burgemeester, maar uilen mogen zelf niet tellen. Zij wórden geteld, begrijpt u, zo staat het in het reglement.

Als ik niet mag tellen, dan doe ik ook niet mee, antwoordt Ulla. En mijn collega’s uilen ook niet!’

‘Hoezo, niet meedoen?‘

‘Gewoon wij vliegen niet!’

‘Hoezo, jullie vliegen niet?‘

 ‘Gewoon, wij zijn er niet?’’

‘Jullie zijn er niet?!’

Toen gebeurde het dat er op de ‘Nacht van de Uil’ geen uilen in het bos noch in het dorp te spotten vielen. Uil Ulla was met alle uilen voor één nachtje vertrokken. Niet één uil kon er geteld worden.

Of toch één, een doodvermoeide slapende uil: Ullebak, de ‘Uil van de Dag’!

______________________________________________________________________________________________________________________________

*Oostelijke Vosvlinder; vlinder die zeldzaam is in Vlaanderen:  https://www.natuurpunt.be/nieuws/de-oostelijke-vos-een-nieuwe-dagvlinder-voor-belgi%C3%AB-20140716

HOTEL PAPA aan de Machtige Rivier