De Minnebeek

Dixie en Oma Sjam fietsen, in gedachten verzonken, naast elkaar naar de Minnebeek, het zijriviertje van de machtige rivier. Het is pas hun derde fietstochtje samen.

Dixie, kunstenaar, altijd een handige harry geweest, droomt ervan decors te bouwen voor toneel. Zij, Oma Sjam is het zonnetje dat eens in een jaar extra straalt op het podium van de lokale toneelgroep. Oma Sjam droomt van een glansgastrol in de stadsschouwburg in Antwerpen. Haar tekst gaat zo:

Oma Sjam: ‘We zijn er bijna … ik zie ginder de Minnebeek al glinsteren bij de bank aan de machtige rivier.’

Tegenspeler: ‘Het is nog ver, ik ben moe en ik heb dorst, kunnen we niet naar het café om de hoek, waar het gezellig drinken is?’

Oma Sjam: ‘Niet opgeven, man, het water van de Minnebeek verfrist en sterkt aan. We zijn er bijna … ‘

Tegenspeler: ‘Het is te ver. Ik moet jou laten gaan. Ik zie jou later wel!’

Lees verder